Vijf naakte vrouwen buitelen in de branding

Blues en blauw. Curtis Salgado. John Belushi. Singer Museum: Edgar Tytgat. Annaleen Louwes.

North Sea Jazz komt eraan, maar het is nog niet zover. Daarom ga ik vast naar de North Sea Jazz Club in Amsterdam. Zo’n Newyorkerig concertcafé, met rood gecapitonneerde muren en tafeltjes, en drankjes tijdens het concert. „They call it a concert. We call it a good time”, knauwt de artiest goedgehumeurd. En zet in.

Jazz? Nee hoor. Vanavond niet. Het mag hier een jazzclub zijn, maar nu zingt Curtis Salgado en dat betekent de blues. Cool is hij en mean. En overgevoelig. In elke song klinkt een ingeslikte snik.

Ik ben geen blueskenner maar ik weet wel wie Curtis Salgado is. Vriend van wijlen John Belushi, die zijn helft van The Blues Brothers van hem afkeek. Uit 1980. Wie die film niet kent, kan dat maar het beste snel goedmaken.

Salgado zingt hier de planeten van de hemel, deze Soul Blues Male Artist of the Year van 2010, 2012 én 2013. En ik zie hoe goed Belushi naar hem heeft gekeken en hoe gedetailleerd hij hem in de film imiteerde. In een draaierig makende omkering, lijkt het nu of John Belushi terug is. Hij is niet dood, dat was een vergissing. Hij leeft, werd 35 jaar ouder en nóg cooler en nu staat hij hier met zijn massieve lijf voor ons te zingen en te swingen. En harmonica te spelen. En af en toe een vleugje luchtgitaar.

Maar het is dus Curtis Salgado. In een jazzclub. „Jazz, blues, soul, het is allemaal hetzelfde”, zegt hij, als ik hem in de pauze even aanspreek. Behalve dan dat bij de blues die blues altijd nadrukkelijk worden benoemd, probeer ik cryptisch. Salgado begrijpt het. „Ja, de liefde is het onderwerp. Love gone wrong.” Hij zegt het of hij het zingt. Als het goed gaat in de liefde snapt de bluesmuziek het niet, zeg ik, daar is de jazz beter in. Wat Salgado zowel bevestigt als ontkent.

De pauze is voorbij. Hij klimt op het podium. En zingt: I learned more about the blues in two weeks from you / than in 20 years of B.B. King.

Ik krijg een prachtig klein fotoboek in handen, van Annaleen Louwes. Het heet Black and white and (some) kind of blue . Louwes fotografeerde drie maanden in een psychiatrische inrichting in New York. Ze maakte indrukwekkende portretten van vermoeide mannen, maar het is meer. Het boekje is ook een creatie met foto’s in blauw. Babyblauw zijn de nylon pyjamapakken. Donderblauw de stoelen. Blauw zijn een gezicht en handen. Het voelt onwezenlijk, want deze foto’s zijn in hun negatief afgedrukt. De omgekeerde wereld.

Wat is dat allemaal voor blauw, vraag ik Annaleen Louwes. Ze vertelt over haar ervaringen met deze mensen, „in de war en zonder geld”. Ze was een uitzondering, in de zwarte omgeving: „Ineens was ik heel erg wit en daar zat ik mee”. Ze besefte dat in de basis van de fotografie, het negatief, élke huidskleur blauw ziet. „En toen was blauw de kleur die ik zocht.”

In het Singer Museum in Laren hangt een schilderij dat op zichzelf al reden is om de tentoonstelling Belgische schone te bezoeken. La souplesse des femmes est comme celle des flots heet het. De Vlaamse expressionist Edgard Tytgat schilderde het in 1949, in de stijl van een verrukt kind. Vijf naakte vrouwen buitelen in de branding. Blijde borsten, blijde billen, de schilder mikte op het wonder van hun welbehagen. Maar kijk hoe veel werk hij maakte van al die tinten van water en hemel. Zijn genot is blauw.