Poëzie is een afspraak met de lezer

Hoe lees je een gedicht? Ellen Deckwitz geeft een cursus, iedere donderdag in nrc.next. Vandaag: interpretatie. Een gedicht kan veel betekenen – maar niet alles.

Illustratie Jenna Arts Illustratie Jenna Arts

Vijftig procent van mijn verwekkers is docent Nederlands waardoor ik de neiging heb om op middelbare scholen reclame te maken voor de Dichtkunst. Dan laat ik de minderjarigen een gedicht lezen en vraag hen wat het betekent. „D’oh”, zegt dan de leerling met bril. „Een gedicht kan álles betekenen.” De hele klas knikt mee, terwijl ik een kort moment verlang naar de herinvoering van het Spaanse rietje.

Een gedicht betekent niet álles. Een gedicht wil zichtbaar maken wat de lezer nog niet eerder heeft gezien, en stuurt diens blik via taal. Daarvoor is elk woord, elke komma afgewogen. Gemiddeld schrijft een dichter vijftig versies van één gedicht! In de tekst zijn altijd aanwijzingen voor de betekenis te vinden, anders zou je net zo goed een plak kaas kunnen gaan interpreteren.

De denkfout dat een gedicht alles kan betekenen, komt deels doordat tegenwoordig alles een gedicht kán zijn. Net zoals een wc-pot een kunstwerk is wanneer de kunstenaar dat zegt. We kunnen het dan mooi of lelijk vinden, maar door het als kunst te betitelen worden we gedwongen er anders naar te kijken (misschien valt dan pas de tragiek van het stralend witte porselein op waaruit zo’n urinoir is vervaardigd).

Hetzelfde geldt voor poëzie. Stel dat je boven de tekst op een pak koninginnensoep ‘gedicht’ zet. Je leest de tekst dan niet meer om de informatie over kooktijd of gluten, maar om de zinnen en formuleringen. Je leest de regel ‘bouillon, van gevogelte getrokken’ dan heel anders. Je kan bijvoorbeeld denken: ‘Heej, dat is toch een beetje sneu, een soep die van vogels is gemaakt.’ Of het valt je plots op, dat die zin best lekker bekt. Als je een tekst ‘gedicht’ noemt, dwing je een andere leeshouding af dan wanneer je een tekst ‘recept’ noemt.

Poëzie betreft dus een leesafspraak. Hoe werkt dat in de praktijk? Interpreteren kunnen we allemaal. Anders begrepen we boeken, films en onze bedpartner ook niet. Laten we eens oefenen met het gedicht ‘Charlie’ hiernaast.

Vanwege de titel en omdat in de eerste regel Parijs wordt genoemd, ben je eerder geneigd om aan de aanslagen op Charlie Hebdo te denken, dan aan een pak vla. Het betekent dus niet alles wat je maar wilt, want de woorden sturen je. Bij poëzie is er bovendien de afspraak dat je iedere regel eerst apart leest – het enjambement – ook al beslaat de zin meerdere regels. ‘De roep’ in de eerste regel wordt zo sinister. Zou het de roep kunnen zijn van een terrorist? Of de angstkreet van een slachtoffer?

Pas in de volgende regel blijkt deze roep afkomstig te zijn van een gier. Zo’n vogel kom je in westerns tegen boven plekken vol verderf. Dat, in combinatie met Charlie en Parijs, versterkt het vermoeden dat dit gedicht om de aanslagen en hun gevolgen gaat.

‘So what’ kun je dan denken. Maar dan volgt de slotregel: ‘zelfs dan wou ik dat ik in Parijs was.’ En daar komen de verschillende interpretaties al! Manon is bijvoorbeeld van mening dat de ‘ik’ in dit gedicht achter zijn liefde voor Parijs blijft staan, ook al is het er niet veilig. Amber vindt daarentegen dat de ik-figuur duidelijk levensmoe is door in zo’n gevaarlijke stad te willen blijven. En Wim wijst erop dat dit gedicht ook geschreven kan zijn vanuit het standpunt van een terrorist, waardoor het een heel andere lading krijgt.

Poëzie/is zo moeilijk nie

Hoewel niet alle lezingen plausibel zijn, kan je dus heel veel kanten op. Daar hoeft niet eens veel denkwerk aan vooraf te gaan, vaak heb je meteen een interpretatie gereed. ‘Poëzie/is zo moeilijk nie’ om het met Herman Finkers te spreken. Maar vaak laten mensen zich vooraf demotiveren, omdat ze geen poëzie-onderwijs hebben gehad. Dan zeggen ze dat poëzie álles kan betekenen, om er maar vanaf te zijn.

Zonde, want dan loop je veel moois mis. Zoals het gedicht hiernaast, een eeuwenoude haiku over Kyoto en de koekoek, geschreven door Matsuo Basho (1644-1694) waarop het gedicht ‘Charlie’ weer is gebaseerd. Ter opfrissing: een haiku betreft een beschrijving van het moment, geschreven in regels van vijf, zeven en weer vijf lettergrepen.

Deze haiku gaat over weemoed. Dat je zelfs in Kyoto Kyoto mist, suggereert dat het oude Kyoto is verdwenen. Ik vind dat een prachtig idee. Het is hetzelfde melancholische gevoel als wanneer je ouderlijk huis opeens niet meer als thuis aanvoelt.

Dankzij Google kwam ik erachter waar de koekoeksroep in Japan voor staat: de naderende zomer. En voor de doden, die vanuit het sprokkelhout naar hun nog levende geliefden roepen. Prachtig! Maar zelfs voor ik dat wist, waardeerde ik het gedicht al vanwege de weemoed die eruit sprak.

Poëzie betreft dus een leesafspraak. Een gedicht kan veel betekenen, maar niet alles. Wie dat denkt, is gemakzuchtig en doet het gedicht onrecht. Je beroept je dan op het moeilijke imago van de poëzie terwijl we net, in amper achthonderd woorden, hebben gezien dat interpretatie in de praktijk reuze meevalt. En dat je niet alles, zoals koekoeksroepen, hoeft te begrijpen om het te kunnen waarderen. Het gaat er bij poëzie-interpretatie niet om wie gelijk heeft, maar dat de woorden iets los maken: een gevoel, een herkenning of een lokroep terug, het donker in.