Column

Megalomaan jazzplan is al veertig jaar succesformule

Op een vakantie in Frankrijk bezocht hij een festival in de openlucht van de vermaarde jazzimpresario George Wein. Drie podia, simultaan mainstreamjazz. Impresario Paul Acket vond het schitterend en ging zelf een megalomaan jazzplan vormgeven. Zes zalen in het Nederlands Congresgebouw in Den Haag. Eens per jaar. Geen openlucht, want de kans op regen is groot, zei zijn vrouw. En hij zei: „Alles wat goed is, moet te zien zijn op ons festival.”

Vijfduizend mensen kwamen naar de eerste North Sea Jazz in Den Haag, naar jazznamen als Sarah Vaughan, het Count Basie Orchestra, het Ray Charles Orchestra, Sun Ra en Cecil Taylor. Een veel te commerciële, massale insteek, mopperden jazzpuristen. En Acket verloor er veel geld op. Maar er kwam een tweede editie met 9.000 bezoekers. Bij de derde editie in 1978 was het duidelijk: dit jazzfestijn was here tot stay, met de stijlvaste zwart-witaffiches: billboardvullende portretten met vetgedrukte namen. Miles Davis. Ella Fitzgerald. John Scofield. George Duke.

James Brown die niet wilde optreden vanwege tv-camera’s. Een nukkige Nina Simone die haar kleedkamer niet uitkwam. Het huis van de familie Acket in Scheveningen, kantoor tijdens de festivalmaanden waar tot in de sauna de toegangskaarten in keurige stapels lagen, was regelmatig als onderpand ingezet, als de dollarkoers hoog was of de gages voor de helft vooruit moesten worden betaald. Ach, wat een jazzromantiek.

Pas sinds 1993 is het festival alle drie de dagen uitverkocht. De sandwichformule – via grote publiekstrekkers kennismaken met nieuwe namen in kleinere zalen – werd beroemd én berucht. Is North Sea Jazz een popfestival geworden? Wat een doodvermoeiende aanklacht is dat inmiddels. Muzikale grenzen vervagen. En de muziekliefhebber is een omnivoor. Volgens de bookers is 70 procent nog altijd jazz, 30 procent is pop. Trekken de grote popnamen de meeste aandacht? Ja – dán verkoop je kaartjes.

Was er ooit een echt slechte editie de afgelopen veertig jaar? Niet dat ik alle festivals even scherp kan terughalen, maar het valt te betwijfelen in die bij elkaar 120 festivaldagen. Hooguit was er een spraakmakende afzegging (Lionel Hampton, Sonny Rollins, Amy Winehouse), waardoor de slagkracht minder werd. Of een storm die buitenpodia sloot. De massaliteit werd met de verhuizing naar Rotterdam (2006) behapbaar.

En de keuzestress? Onverminderd voor wie alles op de dertien podia wil volgen. Maar ik ken ook bezoekers die het hele weekend in één zaal blijven: de statige, gekoelde Hudsonzaal. Ondanks het tapijt op de vloer; als de grote jazznamen dáár spelen hoor je er een speld vallen.