I mean You, Han

Het was zo’n duffe varen om een podium mee op te fleuren. Planten en jazz. Geen combinatie. Een plant swingt niet. Hoewel? Laat het maar aan Han Bennink over. Na een half uur spelen stapte hij achter zijn drumstel vandaan. Hij trok zijn broek hoog op – zoals alleen Bennink zijn broek hoog optrekt – liep naar de plant en begon er wild aan te schudden.

Sjakke-sjakke. Sjakke-sjakke. Whoop. Sjakke-whoop.

De bladeren vlogen door de lucht. Groene brushes. Acteur Jim van der Woude stond ook op het toneel. Hij begon op het ritme te dansen. De varen kreunde onder het geweld van Bennink.

De plant swingde, als de neten.

Ik herinner me een schaar. Niet zomaar een schaar voor je nagels. Nee, een zware, loden schaar van een centimeter of dertig. Bennink trok hem uit zijn rommelkist en knipte ermee in de lucht. Tschjap, tschjap! Hé, wacht eens? Zijn hi-hat klonk ook zo. Bennink maakte een duet tussen schaar en bekkens.

Tschjap!

Vloeren, ja, vloeren. Houten planken, truttige tegels, gladde balletvloeren. In alles zit een sound. Bennink gaat op de grond zitten. Twee stokken in zijn handen. En dan lekker putjes slaan in de vloer. Die putjes zie je ook in zijn drumvellen zitten. Tok, trrrrr!-tok-tok. Tikke-tokke.

Retestrak, die Bennink.

Een metronoom zou er verlegen van worden.

Zo’n hak van zijn afgetrapte laarzen. Dat geeft ook mooie putten in het trommelvel. O god, daar komt de laars weer, hoor je de snaredrum roepen. Bam! Meteen een ander geluid uit de trommel. Hak omhoog, hak omlaag. Even de akoestiek van de zaal onderzoeken.

Boventonen, ondertonen, fluittonen, zenuwentonen, lieve tonen, boosaardige tonen. Ze hangen allemaal in het zwerk, vlak boven een rood aanlopende kop die steeds even afdraait. Dat deed-ie al bij Wes Montgomery in 1964. Hij toont zijn oor. Het oor van Bennink.

Ik ken dat gloeiende oor al jaren.

Van foto’s en films.

Ik zou wel eens een uurtje het trommelvlies van Bennink willen zijn. Hamer en aanbeeld. Het is de gehoorgang naar diepe spelonken in zijn tanige lijf. Trillen van plezier.

Bennink luistert goed naar zichzelf maar ook heel goed naar anderen. Vraag maar aan Mengelberg, aan Dolphy, aan Roswell Rudd, aan Ernst Reijseger, aan Benjamin Herman, en Terrie van The Ex, aan Johnny Griffin en Derek Bailey. Hij heeft muziek met ze gemaakt. Ja, natuurlijk, ook met Dexter en Sonny. En met zijn vader. Want die kon ook een potje slagwerken.

Spelen, spelen. Nooit stoppen. Het verleden en het heden aan de toekomst koppelen. We kunnen het hebben over de grote jongens achter een drumstel. Over Big Sid, over Papa Jo, over Philly, over Daddy Dave. Weergaloze trommelaars. Maar in Rotterdam is het tijd voor Bennink, Bennink en nog eens Bennink.

Nee, hij speelt niet te hard. Onzin. Wat is er mis met een fluittoon in je oren na een concert van Bennink? Een fluittoon hoort erbij, op zijn tijd. Oordopjes? Haha. Ja, kan. Dan hoor je hem nóg. Hij speelt om gehoord te worden.

Moet het zachter? Kan hij best.

Bennink met zijn brushes. Mijn oren dicht bij zijn snaredrum. Drum maar een stukje Monk. Jij, ja. Lange man achter je slagwerk.

I mean You, Han.

De kwastjes glijden hun rondjes over het vel, steeds weer op wonderlijke momenten onderbroken door een felle tik. Sjjj, sjjjj, sjjjj, pang!

Sla me hard, aai me zacht. Veeg me van de boze wereld en ram me naar het licht van de sterren.