Geeft ECB op 20 juli de genadeklap?

Griekenland is sinds gisteren de eerste westerse wanbetaler bij het IMF. Hoe zit het met de rest van de schuldenberg?

Krijgen we dat geld uit Griekenland ooit terug? Dat is niet alleen een lastige vraag voor Europese regeringen, die hun kiezers hebben beloofd dat de noodleningen worden afbetaald als het weer beter gaat met Griekenland. Het zijn twee grote financiële instituties – het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Europese Centrale Bank (ECB) – die als eerste de rekening gepresenteerd krijgen van het Griekse drama.

Het IMF kan voorlopig fluiten naar 1,6 miljard euro die Griekenland afgelopen dinsdag moest terugbetalen aan het fonds in Washington. Griekenland betaalde niet en werd de eerste westerse wanbetaler in de geschiedenis van het IMF. Griekenland zit nu officieel in een situatie van arrears, betalingsachterstand. Van default (het in gebreke blijven) is nog geen sprake – het IMF-bestuur moet zich daarover nog beraden.

De ECB dreigt een Griekse terugbetaling van 3,2 miljard euro mis te lopen op 20 juli, als er niet snel een oplossing komt voor de crisis. Hierbij gaat het om Griekse staatsobligaties die de ECB de afgelopen jaren opkocht, en die nu aflopen. In augustus moet Griekenland nog eens 3,5 miljard euro aan de ECB terugbetalen.

Dat IMF en ECB als eerste te maken krijgen met de Griekse betalingsproblemen, komt omdat zij vooraan zitten in het terugbetalingsschema. Pas veel later, vanaf 2020, beginnen de terugbetalingen aan de individuele eurolanden die Griekenland geld leenden in 2010. Vanaf 2023 moet Griekenland terugstorten aan het euronoodfonds EFSF, dat bijsprong in 2012.

Financieel brengt Griekenland het IMF en de ECB nu niet meteen in de problemen. Met een kapitaal van rond de 750 miljard dollar (677 miljard euro) heeft het IMF de ruimte om dit soort klappen op te vangen. In het geval van de ECB (feitelijk een systeem van centrale banken in de eurozone) zou het verlies terecht komen bij de nationale centrale banken, waaronder De Nederlandsche Bank (DNB).

Als Griekenland inderdaad de 3,2 miljard euro niet betaalt aan de ECB op 20 juli, zou DNB volgens de ECB-kapitaalsleutel 4 procent van de 3,2 miljard euro verliezen, ofwel 128 miljoen euro. Dit kan af gaan van de winst van DNB (vorig jaar bedroeg die 951 miljoen euro).

De Griekse betalingsproblemen zijn vooral om een andere reden belangrijk. De noodsteun (emergency liquidity assistance, ELA) die de Griekse centrale bank, in samenspraak met de ECB, aan Griekse commerciële banken verstrekt komt er door onder druk te staan. Sinds begin dit jaar heeft de Griekse centrale bank met ECB-toestemming 89 miljard euro geleend aan de noodlijdende bankensector.

De ECB eist dat het onderpand dat de Griekse banken geven voor ELA voldoende waard is. Maar dit onderpand – onder meer Griekse staatsobligaties – wordt steeds minder waard nu de overheid in Athene de facto failliet is. Afgelopen zondag bevroor de ECB de limiet voor ELA-steun op 89 miljard euro. Gisteren overlegde het ECB-bestuur, waar DNB-president Klaas Knot en zijn collega’s zitten, opnieuw over ELA. Er gaan binnen het bestuur stemmen op om het Griekse onderpand af te waarderen, waardoor er minder ELA-steun kan worden verstrekt voor dezelfde hoeveelheid onderpand. Het zou in de praktijk betekenen dat de ELA-limiet van 89 miljard euro omlaag gaat. Dan kunnen één of meer Griekse banken, die volledig afhankelijk zijn van ELA, acuut omvallen.

Dit risico durfde de ECB gisteren niet aan, hoofdzakelijk om politieke redenen. Een klap uit Frankfurt voor de Griekse banken zou chaos kunnen veroorzaken in de aanloop naar het referendum van aanstaande zondag. Maar als de Grieken ook de ECB zélf niet terugbetalen op 20 juli, dan is het moeilijk voorstelbaar dat de bankensteun van de ECB overeind blijft.