Wachtgeld wekt vooral woede en dekt afbreukrisico politici onvoldoende

Politici die na ontslag thuis op de bank zitten met wachtgeld, maken kiezers hoorndol. Beter om het afbreukrisico van politici te compenseren met een regeling voor terugkeer naar de oude werkgever. Stel een ‘burgerschapsverlof’ in, betoogt Mark Bovens.

De bestaande wachtgeldregelingen zijn verworden tot een bron van ressentiment en rancune. Wie bij Google de termen ‘wachtgeld’ en ‘graaiers’ combineert, krijgt bijna 20.000 hits. Op de golven van dit populisme zijn in de afgelopen jaren de wachtgeldregelingen bovendien steeds verder uitgekleed.

Afgelopen week nog heeft de Tweede Kamer een voorstel van minister Plasterk aangenomen om oudere politici niet langer dan vijf jaar – het was tien jaar – wachtgeld te geven als zij voorafgaand aan hun pensioen moeten aftreden. De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers was in 2010 en in 2012 ook al gewijzigd, waarbij de uitkeringsduur sterk was teruggebracht. Deze versoberingen hebben het vervullen van politieke ambten tot een zeer ongewis avontuur gemaakt. Wie de gok neemt om zijn baan op te zeggen om wethouder te worden en binnen 2 jaar moet opstappen, komt tegenwoordig al na 2 jaar wachtgeld in de bijstand terecht.

Politieke ambten: cruciaal maar onaantrekkelijk

Toch is het zeer verstandig om voorzieningen te treffen voor burgers die politieke ambten bekleden. Zonder goede wethouders, gedeputeerden, Kamerleden en ministers is er geen goed functionerend openbaar bestuur. Zonder een goed functionerend openbaar bestuur is er geen solide democratische rechtsstaat en geen vitale economie. Je hoeft maar naar Rusland en Griekenland te kijken om te zien hoe belangrijk het is dat onze politieke bestuurders capabel en niet corrupt zijn. Dat geldt al helemaal voor de gemeenten die door de decentralisaties voor de burger de belangrijkste overheid gaan worden. Ons land kent een kleine 1800 politici die onder de bestaande wachtgeldregelingen vallen. De wethouders vormen daarvan de grootste groep, ongeveer 1500.

Tegelijkertijd is het voor capabele en integere burgers in ons land niet aantrekkelijk om wethouder te worden. Wie overstapt naar de politiek, daalt per direct in maatschappelijke status en achting. Alleen in bankiers hebben burgers tegenwoordig nog minder vertrouwen. Je moet 24/7 beschikbaar en bereikbaar zijn, en krijgt bovendien al snel te maken met haatmails, met verbaal geweld en soms zelfs met fysieke bedreigingen aan huis. De afbreukrisico’s zijn bovendien enorm. Tussen 2004 en 2014 zijn per jaar gemiddeld bijna 90 wethouders om politieke redenen tussentijds afgetreden. En na de gemeenteraadsverkiezingen van 2014 kwamen 631 van de 1353 zittende wethouders niet meer terug, dat is een verloop van meer dan 40 procent.

Vervolgens zijn je maatschappelijke vooruitzichten na het wethouderschap zeer onzeker. Weinig werkgevers zitten te wachten op een oud-politicus. Politieke partijen, met name in kleinere gemeenten, hebben dan ook grote moeite om goede wethouders te vinden. Bovendien zijn ze absoluut geen afspiegeling van de maatschappij meer. Wethouders zijn in toenemende mate vuttende gemeenteambtenaren of leraren die hun pensioen in zicht hebben. Alleen zij kunnen het zich nog permitteren om politiek bestuurder te worden. Wie een jong gezin, een hypotheek, en een maatschappelijke carrière voor zich heeft, denkt wel drie keer na voor zij haar baan opzegt om wethouder te worden.

Levensloopverlof voor de publieke zaak

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat voldoende capabele mensen bereid blijven om die zware, maar cruciale taak op hun schouders te nemen? En hoe zorgen we ervoor dat we niet meegaan in de negatieve frames van ‘zakkenvullers’ en ‘plucheklevers’? Dat kan door de huidige wachtgeld- en terugkeerregelingen te vervangen door een algemene verlofregeling voor het vervullen van politieke ambten – een soort van levensloopverlof voor de publieke zaak. Zo wordt het voor werknemers en ambtenaren aantrekkelijker om zich een beperkt aantal jaren aan de publieke zaak te wijden. Dit voorstel bevat twee centrale componenten:

a) Alle werknemers en ambtenaren krijgen het recht om verlof op te nemen om gedurende maximaal twee ambtstermijnen een politiek ambt te vervullen.

b) Gedurende dit verlof worden zij doorbetaald conform hun bestaande primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden. De werkgeverslasten worden van rijkswege vergoed gedurende het verlof.

De eerste component komt in feite neer op uitbreiding van de bestaande terugkeerregelingen voor alle werknemers en ambtenaren. De tweede component is nieuw en schoeit de bezoldiging op een andere leest. Wie van het verlof gebruik maakt, behoudt zijn bestaande salaris en arbeidsvoorwaarden. Dat impliceert dat er – net als in de gemeenteraden, provinciale staten en Eerste Kamer – grote verschillen kunnen zijn in de beloning tussen politieke ambtsdragers. Deze kunnen eventueel worden gematigd door een plafond te stellen aan de compensatie en door voor zware politieke functies te voorzien in representatie- en andere vergoedingen om de functie aantrekkelijk te houden voor lagere inkomensgroepen. Beide componenten hangen in dit voorstel sterk samen, maar kunnen eventueel los van elkaar worden ingevoerd.

Deze verlofregeling benadrukt het belang van politiek burgerschap, en maakt het makkelijker om als zij-instromer politicus te worden. Een burgerschapsverlof maakt het voor mensen die nog niet hun pensioen in zicht hebben of die uit de private sector komen, aantrekkelijk om een tijd hun krachten aan het besturen van een gemeente te wijden zonder te hoeven vrezen voor hun bestaanszekerheid. Wie in de politiek gaat, wordt ook minder afhankelijk van een politieke partij voor het vervolg van de loopbaan. Na ommekomst van een politiek ambt keert men weer terug naar zijn oude baan. Deze regeling vermijdt, ten slotte, ook de negatieve frames van ‘zakkenvullers’ die de politiek ingaan om er beter van te worden, of van ‘wachtgeld’, van politici die op kosten van de belastingbetaler thuis zitten af te wachten.

De Duitse socioloog Max Weber maakte in zijn beroemde lezing Politik als Beruf het onderscheid tussen zij die van de politiek en zij die voor de politiek leven. Het huidige beleid van het steeds verder afknijpen van wachtgeldregelingen creëert een eenzijdig beeld van een politieke klasse die alleen nog maar van de politiek leeft. Invoering van een politiek burgerschapsverlof, maakt meer ruimte voor burgers die, al is het maar tijdelijk, voor de politiek willen leven. Van hen moet de democratische rechtsstaat het hebben.