Waar zijn die paarden?

De gehandicapten op de Limburgse zorgmanege Tara-Manda hadden er nooit iets van gezien. Niets van de dressuur- en fokpaarden die met subsidie waren aangekocht, niets van de boeken en films die bij bol.com waren besteld, of van het horloge van bijna 6.000 euro, de fitnessapparatuur, de wijnkast of de parfumerie à 9.000 euro bij Douglas. Toch was het allemaal aangeschaft door de stichting die de zorgmanege exploiteerde en daarvoor een vergoeding ontving uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

De enige bestuurder van de stichting was een man met een paardenhobby, die zijn dochter graag liet meedoen aan dressuurwedstrijden. Op kosten van de stichting kocht hij trailers en huurde hij een instructeur in, die later verklaarde in al die tijd nooit een gehandicapte ruiter te zijn tegengekomen.

Niet verwonderlijk dat de Belastingdienst op een goed moment twee anonieme ‘klikbrieven’ ontving, waarin stond dat de bestuurder zich verrijkte met AWBZ-gelden. Er kwam een boekenonderzoek, de fiscale opsporingsdienst Fiod deed een inval en uiteindelijk ging de zorgmanege failliet. De inspecteur concludeerde dat de manege niets meer was geweest dan een privéspeeltje van de bestuurder en zijn dochter. Omdat over al deze zelfverrijking geen belasting was betaald, verhoogde hij diens belastbaar inkomen over twee jaar met ruim een miljoen euro.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant vond het ook onwaarschijnlijk dat de gehandicapten profijt hadden gehad van de speeltjes die in hun naam waren aangeschaft, maar benadrukte dat de manege wel degelijk was ingericht en gebruikt als dagbesteding voor gehandicapten, zij het op veel kleinere schaal dan gepland. Slechts een kwart van de kosten van de manege mocht daarom worden opgeteld bij het inkomen van de bestuurder. In totaal nog steeds bijna vier ton meer dan de bestuurder zelf over de twee jaar had opgegeven, maar aanzienlijk minder dan de verhoging die de inspecteur voor ogen had.