Tijdelijk werk: niet echt flexibel, wel lekker goedkoop

beeld iStock

Eén op de drie Nederlanders is er eentje. In verhouding hebben we er zo ongeveer het meest in Europa. En hun aantal lijkt voorlopig alleen maar door te groeien: mensen met een flexibel arbeidscontract. Vandaag wordt de Wet werk en zekerheid grotendeels van kracht die flexibel werk vaster moet maken. Flexwerkers kunnen na twee in plaats van drie jaar bij een werkgever aanspraak maken op een vaste baan.

Minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken, Pvda) wil zo de ‘goede flex’ van de ‘foute flex’ gaan scheiden. Los werk om drukte en uitval (‘piek en ziek’) op te vangen moet kunnen. Maar flexwerk om sociale premies te ontduiken en loonkosten te drukken: hó.

Hoe ziet de ‘flexibele schil’ op de arbeidsmarkt eruit? De term zelf is eigenlijk achterhaald en misleidend. Waarom? Drie redenen, en drie experts.

1. Flexibele schil is geen schil

Ten eerste is het geen ‘schilletje’ meer, maar eerder een pijler. In tien jaar tijd is het aandeel flexwerkers gegroeid van 15 naar 22 procent van de totale beroepsbevolking (8,9 miljoen mensen) vorig jaar, volgens het CBS. Als je het aandeel zelfstandigen zonder personeel erbij optelt, wat vaak gebeurt, kom je uit op 34 procent.

In vergelijking met andere EU-landen telt Nederland veel flexwerkers en groeit hun aantal sneller. Het aandeel tijdelijke werknemers is ook hoog in alle vrijwel alle bedrijfssectoren – uitgezonderd boeren, leraren en ambtenaren. De tijd dat je flexwerkers associeerde met serveersters en aardbeienplukkers is lang voorbij.

2. Het werk is niet flexibel

Ook is er wat af te dingen op de elasticiteit van de ‘flexibele schil’, zegt bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen Paul de Beer. “Veel mensen denken dat de groei van flexibel werk bestaat uit meer kortlopende dienstverbanden. Maar uitzendwerk bijvoorbeeld groeit structureel niet. De groei van flex zit vooral bij zzp’ers, oproepkrachten en mensen met een langdurig tijdelijk contract. Nou, veel zzp’ers werken járen voor dezelfde opdrachtgevers. Oproepkrachten, zoals mensen met een nuluren-contract, hebben vaak wel een vast contract, maar onzekere werktijden. En mensen met een langer tijdelijk contract hebben best reëel vooruitzicht op een vaste aanstelling. Hoe ‘flexibel’ is dat soort werk dus?”

3. De arbeidsmarkt is niet flexibel

De ‘flexibilisering’ van de arbeidsmarkt suggereert ook dat mensen vaker van werkgever wisselen, maar dat klopt niet, zegt De Beer. “De baanmobiliteit is al een jaar of vijftien aan het afnemen. In 1996 zaten mensen gemiddeld na 9,5 jaar nog bij dezelfde werkgever, nu is dat 10,8 jaar. Het kan een onderschatting zijn omdat mensen tijdens een economische crisis minder snel van baan wisselen, maar het lijkt op een duidelijke trend.”

Drie experts aan het woord:

Wat is de flexibele schil dan wel? In ieder geval een keuzemenu van losse contractvormen die goedkoper zijn dan vaste aanstellingen. De vraag is of er wel een weg terug is.