Column

Politiek mag en moet soms irrationeel zijn

Zijn wetenschap en politiek uiteindelijk water en vuur? Twee diametraal tegenover elkaar staande benaderingen die niet te verenigen zijn, zelfs niet in dezelfde persoon? Die gedachte kwam op toen ik in de Volkskrant (27/6) het stuk las over Ronald Plasterk. Een persoonlijke tragedie, dat een briljante geest zo mislukt. Ja, het runnen van een lab is iets anders dan verantwoordelijkheid nemen voor beleid. Maar toch, het kunnen omgaan met feiten, juist als ze tegen-intuïtief zijn, is wat politici en wetenschappers moet verbinden.

Het ontbreekt de Nederlanders politiek niet aan mensen met een wetenschappelijke achtergrond, denk aan Bussemaker, Dijsselbloem en Samsom, en eerder bijvoorbeeld Els Borst. In een complexe wereld waarin technologie steeds vaker vooruit loopt op politieke besluitvorming (of wetgeving uitlokt zoals over privacy of de zelfrijdende auto) hebben regering, parlement en de rechterlijke macht baat bij een wetenschappelijk gefundeerd debat. Daarbij bedoel ik niet meer technocratische beslissingen, of dat ingenieurs het laatste woord moeten hebben. Maar wel dat mensen met een wetenschappelijke achtergrond en een getraind gevoel voor statistiek en causaliteit onmisbaar zijn in de complexiteit van afwegingen. Dat wetenschappers in staat zijn tot betere besluiten is echter twijfelachtig, zeker niet in een democratie waarin kortstondige electorale factoren hoogtij vieren. Merkel, gepromoveerd chemicus, nam toch het besluit om de Duitse kerncentrales te sluiten.

China wordt geleid door ingenieurs en wetenschappers als Xi Jinping, zijn voorganger Hu Jintao en Wen Jiabao, net als Singapore. Dat duidt wellicht op een interessante relatie: hoe minder democratie, hoe meer ruimte voor technocraten, en omgekeerd, hoe hoger het democratische gehalte van de samenleving, hoe minder de stem van de wetenschap telt en hoe meer kans op polarisatie. In het Amerikaanse congres en de senaat zitten nauwelijks mensen met een wetenschappelijke opleiding en er is geen land waar wetenschappelijke humbug zo hoogtij viert en partijen zo selectief feiten sprokkelen ter ondersteuning van hun standpunt.

Wetenschap en democratie gaan niet makkelijk samen. Wetenschappers komen nogal eens over als elitair en weinig sensitief. Het artikel over Plasterk bevestigt dat. Politieke compromissen vragen om stellingnames die soms haaks staan op de feiten, om gevoeligheid voor publieke opinies die niet passen in een rationele benadering. Maar politiek en democratie gaan tegenwoordig net zo min makkelijk hand in hand. Getuige David Van Reybrouck en Alexander Pechtold in deze krant: hervorm de democratie opdat de stem van de burger klinkt!

Tegen deze achtergrond moeten wij het vonnis bekijken in de zaak die Urgenda aanspande tegen de staat. Klimaatverandering en energie behoren tot de meest ingewikkelde en urgente dossiers voor de regering. Terwijl er over de bijdrage van de mens aan de uitstoot van broeikasgassen nauwelijks twijfel is onder wetenschappers, is er over economische en sociale maatregelen weinig overeenstemming. Op het internet overheersen voorts de anekdotiek, de grove vereenvoudiging en het Not-in-my-backyard-effect: ‘Windmolens zijn de oplossing, maar niet in mijn buurt.’ Het vonnis suggereert dat burgers beleidsmakers aansprakelijk kunnen houden voor onvoldoende effectief beleid. Dat kan echter alleen als duidelijk aantoonbaar is wat er anders moet, en wat daarvan de gevolgen zijn, wetenschappelijk zo goed mogelijk onderbouwd. In een echte democratie kan de wetenschap de politiek en de rechtspraak iets unieks bieden: georganiseerde, toetsbare scepsis.