Lofzang op Griekenland

„In wat voor land leven we?”, hoort Marjoleine de Vos de Grieken tegen elkaar zeggen. Een heerlijk en verrukkelijk land, vindt zij. Ook nu het kraakt in zijn voegen.

Illustratie Jenna Arts Illustratie Jenna Arts

Kom hier zitten! Deze tafel kan ook!” De ober wuift breed lachend naar de tafeltjes op de kade aan de rand van de zee in Archaia Epidavros, aan de oostkust van de Peloponnesus. In de schaduw met een koel windje zit je er heerlijk. Even later staat er eten op tafel en een half kilootje (liters zijn geen Griekse eenheid) wijn.

„Oh”, denk ik niet voor het eerst, „oh wat is het toch heerlijk en verrukkelijk om in Griekenland te zijn.” Vanochtend zat ik nog in het enorme antieke theater van Epidavros waar helemaal beneden op het speelvlak een Griekse papas een hymne stond te zingen die bovenin moeiteloos te verstaan was. Het landschap eromheen is overweldigend. Geen wonder dat daar in de oudheid een kuuroord was gevestigd waar de goden flink meehielpen aan de genezing.

Jazeker, het land kraakt in zijn voegen. Overal zitten stokoude filosofen met hun kleine kopjes koffie elkaar uit te leggen hoe dat zo gekomen is en wie – de regering, de vorige regering, de Grieken, de ‘anderen’, de banken enz. – daar de oorzaak van is. „In wat voor land leven we?!” roepen ze theatraal beschuldigend uit.

Heel Europa weet te vertellen dat ‘de Grieken’ geen bal uitvoeren en allemaal op hun veertigste met pensioen gaan en dat dáárom… Maar intussen zie je, als je er als toerist reist, vooral heel hard werkende mensen. Dat is de afgelopen dertig jaar, waarin ik er zeer geregeld kwam, altijd zo geweest en nu is het nog zo. Moet je in Amsterdam zorgen dat de obers tot je vriendenkring behoren wil je ze zover krijgen dat ze je een tosti brengen, in Griekenland gaat het altijd vlot. De obers die ’s avonds tot na twaalven met volle bladen over drukke terrassen rennen, staan er de volgende ochtend weer, met dezelfde inzet.

Ook buiten de toeristenindustrie werken veel mensen heel veel meer uren dan wij of de nijvere Duitsers, volgens officiële OESO-cijfers. Jesse Frederik van De Correspondent viste die cijfers een paar maanden geleden op en keek ook naar de gemiddelde pensioenleeftijd: ruim boven de 61, op hetzelfde niveau als Duitsland.

Maar los daarvan. Het is er heerlijk.

Natuurlijk is het gemakkelijk om het ergens heerlijk te vinden als je een toerist bent met een glas wijn voor je neus, geld in je zak en de zee aan je voeten. Maar dat is het niet alleen.

Om even persoonlijk te spreken: ik vind het er aanzienlijk prettiger dan aan de Zuid-Franse of de Italiaanse kust. Het is er zo makkelijk. Niet overal hekjes met privé, niet overal duurdoenerij, geen idioot drukke autowegen waar de plaatselijke bevolking je de stuipen op het lijf jaagt. Geen sfeer van: pas op je tas, verstop je geld, kom ’s avonds liever niet op straat. Vroeger zeiden de Grieken graag in hun onnavolgbare Engels „Make relax!” Dat hoor je niet zo vaak meer, maar ze doen het nog wel, relax maken.

De zaterdagavond dat bekend werd dat het overleg tussen Griekenland en de rest van de EU was mislukt, werd op het pleintje in Epidavros, op het schiereiland Argolis, de chasapiko gedanst, een van de vele traditionele dansen die kleine Griekjes tot op de dag van vandaag op school leren. Het was een zaterdagavond zoals zo’n avond hoort te zijn in een Grieks plaatsje. Zwoel, met muziek, met meisjes die in groepjes langs het water wandelen en families die met z’n allen uit eten gaan en de tafels flink vol laten zetten.

Over die tafels gesproken. Wij doen al twintig jaar druk over ‘puur’ en ‘eerlijk’ en ‘lokaal’ eten, maar onze groenten smaken nergens naar als je ze niet flink oppept. Hoe anders is dat in Griekenland. Komkommer is bijna zoet, tomaat vol. Ik bestelde ergens ‘chorta’, een bordje gekookte bladgroenten, nam een hap en begon zachtjes te zoemen. Dat kwam, volgens de tavernahoudster die nogal sterk op Houellebecq in een zomerjurk leek, omdat dit „onze eigen chorta” was, zelf verbouwd, niet van de groenteboer. Hetzelfde gold trouwens voor de verrukkelijke, zeer verse vis, die kwam hier – „hier!” – uit de baai.

Op zee vaart een vissersbootje. In de verte ligt een eiland. Soms heb je geluk en klinkt er ook nog zachtjes een Grieks lied: „Net als de adelaar had ik vleugels, o, o, o, en ik vloog en ik vloog heel hoog.”

Natuurlijk is Griekenland ook een modern land, we moeten niet doen alsof daar een soort ruraal paradijs ligt met niets dan vissers en ambachtslieden die tevreden zijn met een ezel en een dorpsbron. Het wegennet is de afgelopen twintig jaar sterk verbeterd, vaak met – het staat overal op blauwe borden te lezen – steun van de EU. Er is overal wifi, er zijn vliegvelden en er zijn zeer rijke mensen, zoals je kunt zien aan de vele enorme paleizen langs de Peloponnesische kust. Al zijn die rijken, denk aan ons eigen koningspaar, ook voor een deel buitenlanders.

De gewone mensen die er wonen, en dat zijn verreweg de meesten, zitten niet bepaald almaar neuriënd komkommer te eten. Ze hebben soms meerdere baantjes tegelijk om het hoofd boven water te houden en gaan nog veel moeilijker tijden tegemoet. „Wij, de gewone hardwerkende mensen, betalen de prijs”, zegt Angeliki die fruitbomen en pensionkamers beheert. „Maar we zullen wel overleven”, zegt ze ook opgewekt.

Talloze redenen om er wel heen te gaan

Ja, ze zullen wel overleven. Makkelijk zal het niet zijn. Dat is geen reden om er maar niet heen te gaan. Er zijn talloze redenen om er wél heen te gaan. De zon schijnt er. Het is er mooi. De Grieken zijn ongelooflijk gastvrij. Het is er goedkoop en het geld dat je er uitgeeft kan men er heel goed gebruiken. En dan praat ik nog niet van zo’n op een onmogelijke maar beeldschone plaats gelegen Grieks-orthodox klooster, dat je na een lange hete klim bereikt. Na zachtjes op de deur kloppen deed een non van een jaar of tachtig open. Ze was de enige bewoonster van dit eenzaam gelegen Heilige Nikolaaskloostertje, in een bergkloof bij het plaatsje Leonidiou. Ook in Griekenland lopen de kloosters leeg, al bezoeken de meeste mensen nog wel de kerk, waar ze tijdens de ellenlange diensten kletsend in- en uitlopen. Waren we te voet gekomen? vroeg de non terwijl ze Turks fruit en koekjes serveerde en ons aanmoedigde uit te rusten. Goed zo. Dat was vermoeiend zeker. „Maar”, zei ze, „als wij ons niet inspannen gebeurt er nooit wat.”

Het klonk als een bewering die over veel meer ging dan over een vermoeiende wandeling op een mooie ochtend.