Hommage aan de kinderrechter

Haar feelgood-opgroeidrama ‘La Tête Haute’ opende Cannes. „Het heeft niet meer de hoogste prioriteit de staat te kritiseren.”

Later deze week zal zij zeer verrassend de (gedeelde) prijs voor beste actrice winnen met de film Mon Roi, maar vandaag zit Emmanuelle Bercot (47) in Club Silencio te Cannes als regisseur. Ze opende gisteren het 68ste filmfestival met opgroeidrama La Tête Haute. De film viel goed, Bercot zat met betraande ogen bij het galapremière. Niet om de staande ovatie, zegt ze, maar omdat haar zoon naast haar zat te huilen.

Bercot – gestreept mantelpakje, gereserveerd – klonk gisteren geïrriteerd toen de pers haar doorzaagde over het feit dat zij als vrouw Cannes mocht openen. Moest ze zich gevleid voelen? Ze hoort liever dat haar film is geselecteerd omdat hij goed is.

Al is een openingsfilm uiteraard een statement. Dat Cannes na een aantal wufte glamouropeningen – The Great Gatsby, Grace of Monaco – dit jaar een sociaal geweten heeft. En vrouwvriendelijk is. En dan treft het dat La Tête Haute ook een prima film is, met een glansrol voor de van de straat geplukte leerling-timmerman Rod Paradot, die qua rauwe charme en in het gemak waarmee emoties over zijn gezicht dansen weinig onderdoet voor de jonge Leonardo DiCaprio.

Paradot speelt de opvliegende Malony, zoon van een infantiele kindmoeder. Malony mept, jat, vernielt, haalt iedereen het bloed onder de nagels vandaan. Maar hij is ook zo’n hartverscheurend jochie dat je het gelooft wanneer tomboy Tess hem troost nadat hij haar bijkans heeft verkracht. En billijkt dat kinderrechter Florence (Catherine Deneuve) en voogd Yann (Benoît Magimel) hem steeds nieuwe kansen geven. Je blijft er het beste van hopen, hoe consistent Malony ook uit elke bocht schiet die zich aandient.

Emmanuelle Bercot overwoog ooit zelf in het jeugdrecht te gaan nadat ze – zoals Tess in de film – als braaf bourgeoismeisje een kamp voor criminele jongens in Bretagne bezocht dat haar oom leidde. Ze was naar eigen zeggen onder de indruk van hun brutaliteit en opstandigheid, maar ook van haar ooms engelengeduld. Toen ze daar in 2009 een film over wilde maken, stelde de oom haar voor aan een kinderrechter in Valence, bij wie Bercot besloten zittingen bijwoonde. Ook liep ze stage bij tuchtscholen.

Kunnen we La Tête Haute zien als een hommage aan de kinderrechter? Bercot: „Dat mag. Mijn oom liet me zien hoe gewetensvol rechters, advocaten, voogden en jeugdinstellingen kinderen beschermen. Ik ben enorm onder de indruk geraakt van hun geduld, liefde en vertrouwen.

„De pijlers van het Franse systeem zijn opvoeding en opleiding, niet repressie. Daarop hamert men tegen de klippen op. Het zijn kinderen, welke ellende ze ook uithalen, en je moet het blijven proberen. Vaak heeft dat ook succes. Maar daar hoor je niks over, jeugdzorg en jeugdrecht komt alleen in het nieuws als het misloopt.”

In Truffauts klassieker ‘Les 400 coups’ onderdrukt het staatsapparaat de jeugd. Dat bleef zo in Franse films. Tegenwoordig worden de jeugdpolitie in ‘Polisse’ of tuchtscholen in ‘La Tête Haute’ gepresenteerd als enige reddingsboei voor de jeugd. Wat is er veranderd: de jeugd, de staat of de filmmakers?

„Alle drie, denk ik. Jeugdcriminaliteit is anders dan in de jaren zeventig, harder. Het jeugdrecht is niet principieel veranderd, maar de attitude in de jeugdzorg is 180 graden gedraaid. Het draait nu om observeren en beïnvloeden, niet om controleren en straffen. Ook bij de politie.

„Het heeft daarom voor een filmmaker niet meer de hoogste prioriteit om dit soort staatsinstellingen te kritiseren, vind ik. Ik leg liever de nadruk op menselijkheid. Iemand is niet goed of slecht omdat hij een uniform draagt of een positie heeft. Mij gaat het er meer om wat hij doet in dat uniform of in die positie.”

Als advocaat van de duivel kan je zeggen: het systeem helpt jongens als Malony niet echt. Wel dat ze op een gegeven moment uitgeraasd zijn en een meisje krijgen ...

„Jeugdzorg is heel geduldig werk dat je jaar in, jaar uit doorzet en dat dan opeens resultaat kan hebben. Of verkeerd afloopt, dat kan ook. Het kost advocaten en rechters enorm veel tijd om een vertrouwenband met dit soort kinderen op te bouwen. Ze zijn wantrouwig, teleurgesteld, zitten vol zelfhaat. Hun achtergrond is bijna altijd dramatisch.”

Is het de schuld van de ouders of de samenleving?

„De rode lijn bij bijna alle jeugddelinquenten is een moeizame thuissituatie. Niet per se armoede, al is dat vaak het geval. De ouders zijn onvolwassen, egoïstisch, verslaafd of mentaal uit balans. De vader is meestal afwezig. Maar de staat heeft de plicht om in te grijpen als ouders falen. De verantwoordelijkheid is dus in zekere zin gedeeld, ook als ouders zich tegen interventie verzetten. Daar kan een ambtenaar zich niet achter verschuilen.”

De autoriteiten zijn in uw film wel erg goedhartig ...

„Niet allemaal! En dat is mijn keus, begrijpt u? Misstanden in de jeugdzorg blootleggen zou gewoon een andere film zijn. In de maanden dat ik in jeugdinstellingen meedraaide, heb ik heel veel mensen met het hart op de goede plaats ontmoet die keihard werken en van alles incasseren voor een rotsalaris. Gewoon omdat ze willen helpen. Idioten die hun macht misbruiken heb je overal. Ik vind alleen niet dat je alleen films over hen mag maken. Dit verhaal is ook echt, en verdient het verteld te worden.”

Na uw roadmovie ‘Elle s’en va’ opnieuw een film met Deneuve ...

„Aanvankelijk dacht ik aan een man als kinderrechter, Gérard Depardieu. Ik wilde een icoon, iemand die direct respect inboezemt. Maar bij Elle s’en va ontdekte ik hoe fijn het is om met Catherine te werken. Zij is fascinerend en dwingt bepaald niet minder respect af.”

Uw ontdekking Rod Paradot vertelde ons dat u op de filmset soms naar hem gilde of dingen naar zijn hoofd smeet om hem boos te krijgen.

„Als het werkt, werkt het. Ik hou ervan met amateurs te werken, liefst in combinatie met ervaren acteurs. Amateurs leren zo acteren, acteurs houden het echt.”