Een Surinaamse blik op de slavernij

Nederland herdenkt vandaag de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863. In Suriname wordt geprobeerd de geschiedschrijving over dat verleden te ontdoen van koloniale vooroordelen. 

Man die de afschaffing van de slavernij herdenkt, twee jaar geleden in het Amsterdamse Oosterpark. foto ROBIN UTRECHT/ANP

Krijg je nu op de basisschool in Suriname geschiedenisles, dan leer je uit de methode Wij en Ons Verleden. Het verscheen in delen vanaf 1986. De hoofdauteur, Maurits Hassankhan, moest in de jaren zestig als leraar geschiedenis op de mulo in Suriname nog een boek gebruiken met de titel Vaderlandse Geschiedenis, vertelt hij. „Dat was Nederlandse geschiedenis, wel te verstaan”, zegt Hassankhan.

Sindsdien is het de missie van Hassankhan om Suriname eigen, vaderlands geschiedenisonderwijs te geven. Het „krioelde” van de koloniale vooroordelen in het onderwijs, zegt Hassankhan, parlementslid en minister (in de regering-Venetiaan).

Hassankhan noemt de omschrijvingen van de Marrons als voorbeeld, de afstammelingen van Afrikanen die de slavernij ontvluchtten en in de binnenlanden van Suriname een stammensamenleving opbouwden. In de zeventiende en achttiende eeuw voerden Marrons aanvallen uit op plantages. „In 1975 kwam ik op lagere scholen nog een schoolboek tegen waarin letterlijk stond dat de Marrons de ergste plaag voor de kolonie waren”, vertelt Hassankhan. „In Wij en Ons Verleden worden Marrons vooral neergezet als vrijheidsstrijders. We verhullen niet dat ze ook mensen hebben gedood, maar in een vrijheidsstrijd kunnen ook doden vallen. Marrons waren een gevaar voor de koloniale overheid, maar niet voor het Surinaamse volk.”

Maar uit wie bestaat dat Surinaamse volk nu? De voorouders van een groot deel van de Surinaamse bevolking arriveerden pas ná de afschaffing van de slavernij in het land. In de aanloop naar de emancipatie waren plantagehouders bang voor een tekort aan arbeidskrachten als dwangarbeid zou worden afgeschaft. Daarom begon de Nederlandse regering met het aantrekken van grote groepen contractarbeiders uit China, India en Indonesië. Bij de laatste volkstelling (2012) identificeerde 16 procent van de Surinamers zich als ‘creool’ – afstammeling van slaven.

Hassankhan ziet het als de opdracht van de geschiedschrijving om het multi-etnische Suriname een gezamenlijke identiteit te geven. Slavernij vindt hij een nationaal thema, maar hij geeft toe dat het moeilijk is om andere etnische groepen te betrekken bij de viering van ‘1 juli’.

Zijn nationale benadering staat centraal bij de studierichting geschiedenis op de Anton de Kom Universiteit (ADEK) waarvan Hassankhan mede-initiatiefnemer en coördinator is. Na een masteropleiding – tot nu toe 3 afgestudeerden – ging twee jaar geleden een bacheloropleiding van start, met nu 34 studenten. Historische archieven waren door verwaarlozing jarenlang ontoegankelijk. Maar de opening van een splinternieuw Nationaal Archief in 2010, waarin ook Surinaamse archieven uit Nederland werden ondergebracht, zijn een belangrijke stimulans voor onderzoek, zegt Hassankhan.

Tweedejaars Dharwiendre Rambharosa (22) is net terug van een trip naar het binnenland. Enthousiast vertelt hij over precolumbiaanse gebruiksvoorwerpen die zijn gevonden op de plek van Marron-dorpen – een bewijs van vroege contacten tussen de oorspronkelijke bewoners van Suriname, de indianen (hier inheemsen genoemd) en gevluchte slaven.

Juist naar dat soort relaties – tussen slaven en inheemsen, slaven en Marrons, slaven onderling – zou hij meer onderzoek willen. Want in het onderwijs staat Nederland nog te veel centraal, vindt hij. „Natuurlijk, Nederland heeft ons onderdrukt, maar daar moeten we ons niet aan vastklampen. Als je nu iets schrijft over slavernij, kom dan met iets nieuws”, zegt Rambharosa. Hij denkt dat het onvermijdelijk is dat Nederlandse historici „vanuit hun waarden en normen” naar de Surinaamse geschiedenis kijken.

„Wij kiezen bewust voor een niet-westers perspectief”, zegt zijn leermeester Hassankhan. „Maar we nemen wel internationale normen voor kritische wetenschap in acht. Dat is niet in tegenspraak met elkaar.”

Hassankhan zegt dat vooral op het punt van de economische geschiedenis Surinaamse en Nederlandse historici een ander perspectief hebben. Hij noemt het onderzoeksproject naar de economische gevolgen van de slavenhandel, dat wordt uitgevoerd door het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG), de VU en de Rijksuniversiteit Leiden. „Het zou me niet verwonderen als men wil aantonen dat de slavenhandel en de slavernij niet winstgevend waren voor Nederland.” De onderzoeksvraag is zeer relevant nu Suriname samen met andere Caribische landen bezig is om van onder andere Nederland herstelbetalingen voor de slavernij te eisen, beaamt hij.

„In het maatschappelijk debat over het Nederlandse slavernijverleden doen, dikwijls gebaseerd op emoties, de wildste schattingen over het economisch profijt dat Nederland van slavenhandel en slavernij heeft gehad de ronde”, zegt de Leidse hoogleraar Henk den Heijer in een reactie. „Sommigen bagatelliseren het profijt, anderen beweren dat een groot deel van de Nederlandse economie in de zeventiende en achttiende eeuw afhankelijk was van slavernij. Wij proberen op basis van bronnenonderzoek vast te stellen wat het economisch effect is geweest. Hoe actievoerders en politici met de uitkomsten van ons onderzoek zullen omgaan, is een publieke zaak waar wij als historici ons niet in zullen mengen.”

Hassankhan kan niet beoordelen of in het Nederlandse onderwijs op de juiste manier aandacht wordt besteed aan de slavernij, zegt hij. Hij vindt het goed dat slavernij als een van de vijftig ‘vensters’ is opgenomen in de Canon van Nederland. „Zo kunnen Nederlanders leren dat hun land mede zo rijk is geworden door andere volken te onderwerpen en uit te buiten”.