Decentralisatie? Dat is ieder voor zich

Gemeenten zijn een half jaar verantwoordelijk voor zorg, jeugdzorg en arbeidsmarkt. Hoe gaat het tot dusver?

De positivo’s in de Tweede Kamer vatten het afgelopen half jaar zo samen: er zijn geen grote ongelukken gebeurd. De kritischer zielen zeggen: wacht maar, die problemen komen nog.

Vandaag zijn de gemeenten een half jaar verantwoordelijk voor de jeugdzorg, langdurige zorg en de gehandicapten op de arbeidsmarkt.

Grote gedachte van die overheveling van taken naar de gemeenten is dat zij beter dan de provincies of het rijk kunnen inschatten wat hun inwoners nodig hebben. Eén plan per gezin, met één regisseur en één budget. Het recht op zorg en ondersteuning is veranderd in een voorziening. Dat moet ook een klap geld schelen: 2,4 miljard euro op een totaal van 10,5 miljard.

Een half jaar na dato blijkt van een overkoepelend beleid in gemeenten nog weinig sprake. En de Tweede Kamer, die vorig jaar instemde met de veranderingen, kan nauwelijks iets doen om dat bij te sturen.

De werkelijkheid

Gemeenten zijn vooral druk met regelen dat iedereen die vorig jaar zorg kreeg, dat nu ook blijft krijgen, ziet Tweede Kamerlid en zorgwoordvoerder Sjoerd Potters (VVD). „De transformatie naar het grote geheel, daar zijn ze nog niet aan toe gekomen.” Zijn coalitiecollega Otwin van Dijk (PvdA) zegt precies hetzelfde: „Het gaat over het algemeen best goed. Maar ik zie wel grote verschillen in hoeverre gemeenten al aan dat maatwerk toekomen.”

Die beruchte keukentafelgesprekken, zegt Ronald van Raak (SP) gaan meestal vooral over wat er bij mensen áf gaat aan zorg dan over wat ze van hun gemeente kunnen verwachten aan hulp. „Er bestaat een enorme kloof tussen hoe Den Haag dénkt dat het gaat en wat er in het land gebeurt. Veel gemeenten kunnen géén maatwerk leveren, horen wij.”

Vanuit het kabinet is weinig binding aangebracht tussen de drie operaties, ziet Linda Voortman (GroenLinks). „Zo is de ene wet vrij precies en de ander laat juist veel vrij.” Gemeenten krijgen in de Participatiewet exacte regels opgelegd over wanneer iemand bijstandsgerechtigd is. Maar in de Wet Maatschappelijke ondersteuning, die gaat over langdurige zorg, staat alleen dat gemeenten ervoor moeten zorgen dat mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. Hoe? Dat organiseert iedere gemeente op zijn eigen manier.

Overkoepelend beleid is extra lastig omdat de regio’s waarin gemeenten voor de verschillende voorzieningen samenwerken, niet overeenkomen. De arbeidsmarkt is in 35 regio’s verdeeld, de jeugdzorg in 42 en de zorg in 43 regio’s. Van die laatste twee vallen de grenzen wel ongeveer samen, maar de link met de arbeidsmarkt is dan vaak nog niet gelegd.

De controle

De Tweede Kamerleden baseren zich voor hun oordeel over de voortgang vooral op werkbezoeken en gesprekken met wethouders en raadsleden. Want een overkoepelende monitor bestaat (nog) niet. De eerste centrale meting komt in augustus en is, anders dan je zou verwachten, door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het ministerie van Volksgezondheid van staatssecretaris Martin van Rijn opgezet en niet door ‘coördinerend’ minister Ronald Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA). In hoeverre in de praktijk al sprake is van rechtsongelijkheid is de Kamerleden ook onduidelijk. Dát die ging komen, wisten alle partijen, want als je maatwerk als uitgangspunt neemt, verschilt de aanpak per definitie per inwoner of gezin.

Over de financiële toestand van de gemeenten valt ook weinig zinnigs te zeggen. De Tweede Kamer vroeg vorig jaar minister Ronald Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) om een overzicht van de uitvoeringskosten die gemeenten hebben of begroten, maar dat kan hij niet geven. Het rijk gaat hier immers niet meer over, dus „cijfers over de uitvoeringskosten worden niet regulier bijgehouden door mijn departement”. Het „algemene beeld” is dat gemeenten een reservepotje hebben, maar een overzicht heeft Binnenlandse Zaken niet.

De commissie van Tweede Kamerleden die met Plasterk spreekt over zijn coördinerende taken, „heeft het een beetje opgegeven”, zegt Gerard Schouw (D66). Debatten hebben weinig zin, zegt hij, want de minister verwijst toch standaard óf naar de vakinhoudelijke ministers óf naar de gemeenten. Ook de coalitiefracties zien die coördinerende rol als minder relevant: voor dit verhaal wilden VVD en PvdA niet de Kamerleden van Binnenlandse Zaken aan het woord laten, maar degenen die de langdurige zorg in hun portefeuille hebben.

De onafhankelijke commissie die toezicht houdt op de decentralisaties, onder voorzitterschap van oud-PvdA-senator Han Noten, adviseerde de Tweede Kamer vorig jaar om de verantwoording centraal te organiseren met één Kamercommissie. Zodat die controle in samenhang gebeurt. Dat komt er niet van – in elk geval deze kabinetsperiode blijven de Kamerleden het werk verdelen. Je heil zoeken in het aanpassen van dat soort structuren vindt PvdA’er Otwin van Dijk onzin: „Alsof daarmee die keukentafelgesprekken beter worden. De mensen in het veld, die moeten de samenhang brengen.”