Opinie

Oude koffers

In een vergeten mapje vond mijn vrouw twee vergeten briefjes van haar lang geleden overleden ouders aan elkaar. Ze was begrijpelijkerwijs opgetogen over haar vondst; alsof twee vertrouwde, verre stemmen haar toeriepen uit het ravijn van het verleden.

De briefjes waren op zichzelf niet opzienbarend, ze bevatten – gelukkig maar – geen schokkende mededelingen over geheimen die „voor de kinderen” vooral geheim moesten blijven. Het waren snel geschreven kattebelletjes. (Wist u dat kattebelletje zonder tussen-n moet als het om een briefje gaat, maar mét tussen-n als het een belletje van katten is? O wondere wereld van de Nederlandse spelling.)

Toch was er voor aangetrouwde intimi als ik iets opvallends aan deze kattebelletjes. Ze wierpen opeens een ander licht op deze ouders die ik bij mijn bezoeken altijd als vriendelijke, maar ernstige mensen had meegemaakt. Hier toonden ze, vooral de vader, een speelse kant. Voor mijn vrouw was dat geen verrassing. „Mijn vader kon zwaar op de hand zijn, maar ook humoristisch.”

Het briefje van de moeder luidt: „Ik ben weg laat mij maar niet zoeken ik kom terug als het geld op is. Daag een kus van je vrouw.” Zijn antwoord: „Door een toeval ontdekte ik de rest van het geld in het onderste laatje. Ik dank de hemel dat je in je haast dit cadeautje voorbij hebt gezien. Ik ben via Roggel de Peel ingegaan om te jagen op bakbokking. Het zal wel laat in ’t jaar worden (ik reis per muilezel) eer ik weer thuis ben. Enfin je zult wel zien. Nellis.”

„Nellis?” vroeg ik verbaasd, „hij heette toch Sjang?” „Grapje”, zei mijn vrouw, „hij moet in een vrolijke bui zijn geweest. Die bakbokking!”

Ik vroeg of geld een gevoelig onderwerp tussen haar ouders was geweest. „Jazeker, want ze hadden het niet breed. Mijn vader gaf elke week zijn loon aan haar, zij moest daar met het gezin van rond zien te komen. Zij was daar heel creatief in, ze kon met weinig middelen veel doen. Als dat niet goed lukte, ontstonden er spanningen, want mijn vader hield scherp toezicht op de uitgaven. Ik weet nog dat ze het na de dood van mijn vader een bevrijding vond dat ze wat gemakkelijker geld kon uitgeven.”

Zo stonden we met enige ontroering die briefjes te bevoelen en te bespreken. Het was alsof er plotseling een haarscherp zwart-witamateurfilmpje met vergeten opnamen was opgedoken.

Ik moest denken aan een anekdote die de Russische toneelregisseur Lev Dodin kort hiervoor in de Volkskrant had verteld. Dodin was in Amerika op bezoek bij zijn collega Peter Brook. Diens vrouw had een oude koffer met foto’s en brieven van haar Russische moeder, die ze niet kon lezen. Ze gaf een ansichtkaart aan Dodin en vroeg hem om de vertaling. Hij las voor: „Met bolle cherubijntjes en de allerliefste wensen voor het jaar 1917.”

„We werden overmand door emoties en lazen niet verder”, vertelde Dodin, „ik denk dat er op de wereld een hoop van dergelijke koffers staan.” Voor mijn vrouw had de koffer de vorm van een onooglijk mapje, diep opgeborgen in een kast. Ik was er jaloers op, al mocht ik niet klagen omdat ik enkele dagen later een, ook al vergeten, boek in mijn werkkamer vond met de opdracht: „Ik hoop dat je evenveel genoegen aan de „Camera” zult beleven als ik altijd heb gedaan. Oudjaar ’87. Je vader.”

De Camera Obscura van Hildebrand. Nu zal ik het wel móéten lezen.