De prijs van een mensenleven en de prijs van een medicijn

Het is een ongemakkelijke en kille vraag, maar hij moet worden gesteld en verdient een antwoord: hoeveel is een mensenleven de maatschappij waard? In concreto: hoeveel premies zijn burgers bereid collectief te betalen voor peperdure medicijnen die een, soms kortstondig, levensverlengend effect hebben?

De vraag is opnieuw actueel door een rapport dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) gisteren uitbracht. Een constatering daarin is dat dure geneesmiddelen nu nog in principe beschikbaar zijn voor iedereen die ze nodig heeft. Maar ziekenhuizen geven aan dat ze straks niet meer het geld hebben om zulke medicijnen, waarvan er telkens nieuwe en betere op de markt komen, te kunnen betalen.

Drie jaar geleden laaide een discussie hierover op toen in een conceptadvies werd vastgesteld dat bij behandeling van de ziekte van Fabry en bepaalde vormen van de ziekte van Pompe de kosten niet tegen de baten opwogen. Het ging om bedragen van 200.000 tot 700.000 euro per patiënt per jaar. Te betalen uit het basispakket van de ziektekostenverzekeringen. Zet het af tegen wat gemiddeld de medische kosten zijn van een laatste levensjaar: 80.000 euro.

Minister Schippers (Zorg, VVD) hield toen de boot af en terecht: op het totaal van de kosten van de zorg vormden de dure medicijnen een kleine post. Het is beter te bezuinigen op massaal maar vaak overbodig gebruik van goedkopere medicijnen. Maar er komen steeds meer nieuwe, kostbare medicijnen. Primair is dan de vraag aan de orde: is de prijs van deze dure geneesmiddelen ook een gerechtvaardigde prijs of is hij louter het gevolg van de machtspositie die de farmaceutische industrie bekleedt?

De NZa heeft aanbevelingen gedaan die een grondige overweging waard zijn. Patenten vormen een onmisbare prikkel voor de industrie om te blijven werken aan nieuwe medicijnen die patiënten kunnen genezen of die hun leven veraangenamen. Maar dat farmaceutische bedrijven vervolgens tien jaar lang worden ‘beschermd’ tegen de ontwikkeling van concurrerende middelen, is marktverstorend en werkt prijsopdrijvend. Het is ook bedenkelijk dat de prijzen niet dalen als de groep gebruikers van een medicijn in omvang groeit. Op nationaal en Europees niveau zal wetgeving moeten worden aangepast om dergelijke effecten tegen te gaan. Dan moet ook helder zijn dat collectieve financiering alleen geldt voor medicijnen waarvan vaststaat dat ze werken.

Ook dan zal de vraag blijven terugkeren hoeveel premiegeld burgers willen besteden aan levensverlengende middelen voor een kleine groep. Een maatschappelijke vraag, waarop dus de politiek een antwoord hoort te geven.