De expert is niet altijd deskundig

Nederland telt ruim 700 geregistreerde experts, die hun deskundigheid voor de rechtbank inzetten. Ze worden steeds belangrijker. Maar er wordt ook op bezuinigd. Gaat dat wel goed?

Forensisch onderzoek na een schietpartij. Uniforme normen om sporen op een ‘plaats delict’ veilig te stellen, zijn er niet.
Forensisch onderzoek na een schietpartij. Uniforme normen om sporen op een ‘plaats delict’ veilig te stellen, zijn er niet. Foto Remko de Waal/ANP

Het Openbaar Ministerie (OM) gaat in cassatie tegen de vrijspraak van neuroloog Jansen, zo werd gisteren bekend. In deze spraakmakende zaak speelden verklaringen van deskundigen een grote rol: over de vraag of het gedrag van Jansen kon worden verklaard uit een eerder ongeluk, of uit drugsgebruik. Het is maar één van de recente rechtszaken waarin forensische deskundigheid belangrijk was. En het belang van zulke kennis groeit, zeggen de experts. Tegelijk hangen bezuinigingen in de lucht: het Nederlands Forensisch Instituut moet bijvoorbeeld een fors deel van zijn budget inleveren.

Michel Smithuis, directeur van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD), begrijpt die ontwikkeling niet. Zijn instituut werd ruim vijf jaar geleden opgericht, juist omdat de veronderstelde deskundigheid nogal eens tekortschoot.

„Deskundigenverklaringen en technisch bewijs zijn niet zelden cruciaal in strafzaken. Met het toenemen van de technische mogelijkheden neemt het belang ervan alleen maar toe.”

Smithuis geeft nog een paar voorbeelden van zaken waarin getuigen-deskundigen een grote rol speelden. Zoals de dubbele executie in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt. Van een van de verdachten is dna gevonden in de auto van de schutters. Maar die verdachte beweert dat dat hij niet in die auto zat. Hoe waarschijnlijk dat is – dát is het terrein van de getuige-deskundige. En dan is er de zaak over de afpersing van de familie De Mol; de afperser zou op het oog normaal functioneren, maar wel een bijzonder soort dementie hebben. Daardoor is hij mogelijk niet verantwoordelijk voor zijn daden, en hoeft hij zijn berechting niet in hechtenis af te wachten.

Onvoldoende deskundig

De oprichting van het NRGD volgde in 2010 op de schokkende constatering dat in het onderzoek naar de Schiedammer Parkmoord, en later in de zaak-Lucia de B., grove fouten waren gemaakt, onder meer door forensisch deskundigen. „Daardoor kwam het oordeel van forensisch deskundigen ter discussie te staan”, weet Smithuis.

En niet ten onrechte, zo is gebleken. Het NRGD heeft inmiddels meer dan 700 deskundigen die regelmatig werden benoemd, individueel beoordeeld. Van hen bleek 20 procent niet te voldoen. Van de jeugdpsychiaters en -psychologen was dat zelfs 30 procent. Voor belangrijke groepen experts – psychiaters, psychologen, forensisch pathologen, toxicologen, wapen- en munitiedeskundigen – zijn nu kwaliteitscriteria opgesteld. Alleen deskundigen die daaraan voldoen komen in het register, en kunnen door het Openbaar Ministerie (OM) in rechtszaken worden benoemd.

Daarmee heeft het NRDG een nuttige functie vervuld, stelt het onderzoekscentrum van Justitie, het WODC, in een recente evaluatie. Maar het twijfelt over de rol van het instituut bij verdere verbetering van de forensische kennis. En het werpt de vraag op of het NRGD niet te duur is voor wat het doet. De minister moet er dit najaar conclusies uit trekken.

Smithuis is bescheiden over de rol van zijn organisatie, maar ook ambitieus. Er is nog veel ruimte voor verbetering, vindt hij. Zo telt Nederland op enkele terreinen maar één of twee deskundigen. Voorbeeld: in- en uitschotwonden. Schotrestdeskundigen kunnen op grond van onder meer kruitsporen zien wie vanaf waar heeft geschoten – „in tv-series heel effectief” – maar de weinige experts werken bij het NFI, de overheid. Dat betekent dat verdedigers van een verdachte vrijwel geen eigen toegang hebben tot expertise.

Om die reden zoekt het NRGD samenwerking met buitenlandse forensische deskundigen. Deze zomer komen er vijftien naar Nederland voor informatie over de registratie, en om zich te laten bijscholen in het Nederlandse strafrecht.

Superspecialisten

In strafzaken is regelmatig ad-hocdeskundigheid nodig: zeer specialistische kennis, alleen relevant voor die specifieke strafzaak. „Voor die superspecialisten kan je niet vooraf criteria vaststellen en je kan ze ook niet in een register opnemen”, zegt Smithuis. „Maar je kunt wel eisen dat ze, voordat de rechter-commissaris hen benoemt, informatie geven waaruit blijkt dat zij geschikt zijn om juist over deze vraag te verklaren. Zo’n regeling kunnen wij helpen optuigen en uitvoeren.”

Op die manier voorkom je mogelijk fouten als in de Puttense Moordzaak, zegt Smithuis. Twee mannen zaten jaren onschuldig vast voor verkrachting en moord, hoewel van hen géén dna was aangetroffen. Op het been van het slachtoffer zat wel sperma van een andere man. Een hoogleraar gynaecologie kwam met de ‘sleeptheorie’: het sperma zou van eerdere, vrijwillige seks afkomstig zijn en door de verkrachting naar het been zijn ‘gesleept’. Maar daarover heeft een gynaecoloog geen bijzondere kennis, zegt Smithuis. Wellicht was het beter geweest een expert in viscositeit van vloeistoffen in te schakelen.

Ook de bulk van het werk van getuigen-deskundigen – forensische rapportages door psychologen en psychiaters, pathologen en forensisch artsen – kan beter, aldus het WODC. Zo is er voor forensisch pathologische kennis geen universitaire opleiding. Het zijn klinisch specialisten, die in instituten als het NFI worden opgeleid, in een meester/gezelverhouding.

Smithuis: „Het NRGD heeft inmiddels met deskundigen uit binnen- en buitenland normen opgesteld en forensisch pathologen zelf laten toetsen. Je zou voor de toekomst kunnen denken aan erkende opleidingen die wij accrediteren.”

Of neem forensische geneeskunde, artsen die in opdracht van justitie een lijkschouwing doen, meestal ter plekke, en moeten beslissen of de doodsoorzaak een natuurlijke is of niet. Alleen bij verdenking volgt een volledige sectie door een forensisch patholoog. Smithuis: „Een arts is na twintig dagen nascholing forensisch arts. Zonder praktijkexamen, of zelfs een minimum aan praktijkervaring.”

Of er in Nederland veel gevallen van niet-natuurlijk overlijden worden gemist? „Je weet niet wat je niet weet, maar in vergelijking met ons omringende landen doen we weinig secties.”

Smithuis stelt ook een gebrek aan kennis vast van wat in de forensische wereld activity level heet. Daarbij draait het niet om de vraag van wie dna-sporen zijn, maar wat de meest waarschijnlijke verklaring is dát ze er zijn. En dat moet uiteraard goed onderbouwd worden. „Veel dna-deskundigen zeggen dat ze dat kunnen, maar dat is nog niet zo eenvoudig objectief vast te stellen.”

Plaats delict

Smithuis kan nog wel even doorgaan. Er zijn bijvoorbeeld geen uniforme normen voor het veiligstellen van de plaats delict, terwijl daar nogal wat mensen rondlopen van OM, politie, en soms NFI. Of neem de technische kennis bij advocaten en rechters. Die is zeer beperkt; scholing zou de kwaliteit van de rechtspleging ten goede komen, meent hij. „We verwachten niet dat een jurist de kwaliteit van een toxicoloog kan beoordelen. Maar met meer forensische scholing kunnen ze deskundigenrapporten kritischer beoordelen.”

Het WODC-rapport suggereert dat de forensische instituten hun kwaliteit zelf moeten verbeteren en dat het NRGD daarin geen rol hoeft te hebben. Kamerleden stelden daar onlangs vragen over aan minister Van der Steur (Veiligheid en Justitie, VVD).

Smithuis is het niet eens met die suggestie. „Het NRGD hoeft niet alles wat de instituten aan opleiding doen opnieuw te toetsen. Maar wij zorgen wel voor onafhankelijke, externe toetsing. Dat legt druk op die instituten om echt iets te doen, aan normering van de opleiding bijvoorbeeld. Laten we wel wezen: er was vijf jaar geleden een wetswijziging voor nodig voordat deskundigen zich wilden laten toetsen voor inschrijving in het register. En bij die toetsing viel eenvijfde dus af.”