Calimero

Trots zijn op waar je vandaan komt, ik vond het altijd een beetje zielig. Alsof het een prestatie is om ergens geboren te worden. Ik prees me gelukkig dat ik uit Arnhem kom, een stad waarvan inwoners beseffen dat je, vooral buiten de stadsgrenzen, een beetje voorzichtig moet zijn met het uitventen van je Arnhemmerschap. Je had ze wel, de uitzonderingen die met een muts met het kengetal van de stad – in ons geval 026 – rondlopen, maar daar werd met plaatsvervangende schaamte naar gekeken. Als je onder die mutsen keek dacht je nooit: goh, die komt uit Arnhem, daar wil ik ook naartoe.

Wat ze sinds enige tijd wel hadden in Arnhem was een duurzaam terras op het dak van een parkeergarage waarvan de uitbaters via-via een beroep op mij deden om er ‘iets’ te komen doen. En ik moest vooral niet nalaten om andere mensen mee te nemen. Want dat denken ze in Arnhem dan gek genoeg wel meteen, dat je, als je in Amsterdam woont en stukjes schrijft, allemaal bekende mensen kent die je in ruil voor een stuk Turks brood en wat bier in een auto kunt laden om ‘iets’ te gaan doen in Arnhem. Uiteindelijk vond ik er twee bereid en niet de minsten, vond ik zelf. Ik had ze opgezadeld met een laag verwachtingspatroon zodat het ze alleen nog maar kon meevallen, maar dat bleek nergens voor nodig. Ze waren, net als ik, verbaasd over het gedoe op die parkeergarage.

„Daar”, wees een meisje naar een van latten en landbouwplastic opgetrokken tent, „verbouwen we onze eigen groenten. Ik denk dat we de eerste courgettes binnenkort kunnen oogsten.” Eigenlijk was dit heel on-Arnhems, maar mijn twee gasten, voor wie dit een eerste kennismaking met de stad was, vonden het ‘aandoenlijk’, waarop ik mezelf hoorde zeggen dat het verbouwen van courgettes op het dak heel Arnhems was. Zelf zaten ze op een ander spoor: Kopenhagen! Ze zeiden het echt. Arnhem leek op Kopenhagen, een hoofdstad van een land. Het deed me meer dan ik had gedacht. Toen ze even later het gigantische aardvarken, een door Burgers’ Zoo aan de stad geschonken kunstwerk, ook nog prezen, kroop ik als Calimero uit het ei. De Rijnbrug, hadden ze die al eens gezien? Daarna, het zal de wijn wel geweest zijn, sleepte ik ze van de ene Kopenhaagse attractie naar de andere, zelfs het nieuwe station dat ik eigenlijk, net als alle Arnhemmers, heel lelijk vond, moest er aan geloven. Net zo lang tot het onvermijdelijke dan toch gebeurde. „Marcel, waar staat de auto?” vroegen ze. „We willen nu eigenlijk wel terug naar Amsterdam.”

Later belden ze om te zeggen dat dat gevoel ze na twee dagen in Kopenhagen ook bekroop.