Opinie

Zieltjes winnen voor het kalifaat

Vóór de zomer wil ik nog eenmaal Redouan bezoeken. Het kalifaat bestaat vandaag een jaar en hij is aanhanger van Islamitische Staat. Er is nog een reden. Vorige week sprak het gerechtshof in Den Bosch zijn broer Fahmi B. vrij. Na de moord op Theo van Gogh werd Fahmi veroordeeld tot een gevangenisstraf van anderhalf jaar wegens lidmaatschap van de terroristische organisatie Hofstadgroep. Daarna was hij als ongewenst persoon naar Marokko gestuurd. Voor het lidmaatschap van de Hofstadgroep, oordeelde het hof nu, is „onvoldoende overtuigend bewijs”.

Tien jaar geleden studeerde Redouan sociaal-juridische dienstverlening aan de Hogeschool van Amsterdam en probeerde hij de onschuld van zijn broer aan te tonen. Uit de boekenkast van Fahmi haalde hij Vergane volkeren, waarin de Turkse schrijver Harun Yahya beschrijft hoe Allah alle goddeloze volkeren uitroeit. „Als Fahmi niet was aangehouden”, zegt hij nu, „had ik me niet bekeerd tot het politieke salafisme.” Hij stopte met zijn studie. „Als je gelooft dat god de hoogste rechterlijke macht is, kun je geen menselijke wetten meer bestuderen.”

We zitten op een bankje bij de speeltuin aan het einde van de Blauwvoetstraat in Amsterdam-West. Compagnon Ahmet Olgun is meegegaan. Redouan draagt een dunne gandora afgezet met borduurwerk bij de sluiting. Zijn baard is zorgvuldig geknipt. Hij houdt een oog gericht op zijn zoontje van vier die onbezorgd steeds opnieuw van de glijbaan gaat. Jongens op scooters remmen af en knikken hem plechtig toe. „Salam aleikum.” In zijn buurt is hij een geleerde.

„Ik zocht ook broeders op in een huiskamergroep, net als Mohammed B. en Fahmi dat hadden gedaan.” Hij begon het woord van de profeet te verkondigen. Dat levert punten op. Tegenwoordig verkoopt hij kinderkleren op de markt om zijn gezin te onderhouden. „Isis”, noemen ze hem. Jonge moslims en Nederlanders herkennen in hem een ware moslim en stellen vragen over zijn geloof en over IS. Hoe je de reis naar het kalifaat, de Hijra, maakt bijvoorbeeld. „De belangstelling is groot”, zegt hij.

Gisteren zag hij een foto van het hoofd van een Fransman gespiesd op een hek. Het slachtoffer van de aanslag in Lyon. „Ik keur die onthoofding af”, zegt hij. „Omdat het ging om een moord uit wraak van een werknemer op zijn baas.” Maar met de meeste sadistische moorden van IS stemt hij in. „De islam zegt: het bloed van een kafir, een ongelovige, mag vloeien, zeker in oorlogstijd. „Een gevechtspiloot levend verbranden is toegestaan, omdat de man onze mensen verbrandde. Oog om oog, staat in de Koran. In de Bijbel trouwens ook.”

Dan vliegt hij de speeltuin in omdat hij zijn zoon nergens meer ziet. „Zijn moeder vermoordt me als er iets met hem gebeurt”, zegt hij. Ha, daar is zijn zoon alweer.

Hij is dicht bij zijn ouderlijk huis gaan wonen om zijn zieke vader te verzorgen. Keihard tegen ongelovigen („Je mag ze op straat bespugen”), zacht voor zijn naasten („Ik verheug me erop om Fahmi weer te zien”). Willekeurig, zeg ik. Hij schudt zijn hoofd. „Mijn naasten zijn gelovigen, maar ik worstel dagelijks: Wat doe ik hier nog in Nederland?”

Ons heeft hij nog nooit bespuugd. Dat zou hem wel veel punten opleveren. „Nee”, zegt hij. „Aan jullie heb ik iets uit te leggen.”