Dimdammende labbekakken

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

Op mediatrainingen leren politici en andere kopstukken hoe ze moeten scoren met woorden. Gebruik een pakkende beeldspraak of een ongewoon woord, is het advies, want daar zijn journalisten dol op. Als de vondst goed genoeg is, zie je jezelf terug in het Achtuurjournaal – de natte droom van menig politicus en bestuurder. Ook de schrijvende pers is vrij makkelijk te manipuleren; kranten zullen een goede taalvondst dankbaar aanhalen in een nieuwskop.

Voorbeelden te over. Heb het niet over egoïst - saai en voor sommige mensen een moeilijk woord -, maar over Dikke Ik. Zeg niet piekeren en zeker niet delibereren, maar dimdammen.

Sommige vondsten halen zelfs het woordenboek. Denk aan belubberen als variant voor belazeren, een woord dat in 1983 door Marcel van Dam is bedacht om de toenmalige premier Ruud Lubbers mee af te serveren. Zo komt Jan Splinter door de winter; bij de wilde spinnen af – de lijst is lang.

Er is wel een kleine catch, zo leer je op de betere mediatraining: je vondst kan ook verkeerd vallen. De gevolgen kunnen dan groot zijn. Denk aan het „Minder! minder!” van Geert Wilders. Niks heeft de PVV-leider zoveel schade berokkend als deze vondst, hoewel volkomen voorgekookt en geregisseerd.

Zonder twijfel heeft Hans de Boer, de voorzitter van VNO-NCW, de nodige mediatrainingen achter de rug, maar toch maakte hij vorige week een faux pas. Voor wie vooral het wereldnieuws probeert te volgen: tegen de Volkskrant zei Hans de Boer dat Nederlanders met een uitkering labbekakken zijn, „slappelingen die per direct aan het werk kunnen en moeten”. Kop op de voorpagina: „Labbekakken moeten aan het werk.”

Voor veel mensen blijkt labbekakken net zo onbekend als dimdammen, een woord waar GroenLinks-Kamerlid Rik Grashoff onlangs Het Journaal mee haalde. Maar waar dimdammen vriendelijke associaties oproept (met de onschuldige denksport dammen bijvoorbeeld), roepen woorden die eindigen op kakken hele andere gedachten op.

Voor wie labbekak niet kent: het dateert al uit begin van de 17de eeuw. Het is gebruikt voor ‘babbelaar, kletser’, ‘kwaadspreker’, ‘slapjanus, schijtlaars’ en in 1944 even voor ‘laffe NSB’er’. Labben is een verouderd woord voor ‘leuteren, babbelen’. Of het tweede deel van de samenstelling werkelijk met kakken (‘poepen’) te maken heeft is onzeker. Het zou ook van kakelen kunnen komen.

De woorden van Hans de Boer vielen niet goed. Hij bood snel zijn excuses aan („Het woord labbekak had ik in die context niet moeten gebruiken”), maar toen had hij al een standje gekregen van onder meer Mark Rutte en Diederik Samsom.

Gebruikte De Boer dan een woord dat zelden in het politieke discours wordt gebruikt? Welnee, kijk bijvoorbeeld eens in de Handelingen van de Tweede Kamer. Daarin vind je formuleringen als „labbekakkerig langzaam„ (2008), „labbekakkenbeleid” (2009), „labbekakdingen„ (2011), „het labbekakkerige antwoord„ (2013), „zo’n labbekakkerige manier„ (2013) enzovoorts.

Nieuw was dat De Boer een hele groep wegzette als labbekakken. Maar dat doe je ook met bijvoorbeeld kutmarokkanen en in iets mindere mate met Dikke Ikken. Mediatrainers geven het niet graag toe, maar ze bedrijven geen harde wetenschap. Soms valt iets goed, soms niet – de uitkomst is niet altijd gelijk en zeker niet voorspelbaar.