Waaiers in Zeeuwse zilte wind

In de 2de etappe zijn de renners nog fris en oorlogszuchtig. En dan die wind. Oud-renner Peter Winnen verkende de rit.

Oud-profrenner Peter Winnen verkent de rit naar Neeltje Jans. Foto Andreas Terlaak
Oud-profrenner Peter Winnen verkent de rit naar Neeltje Jans. Foto Andreas Terlaak Foto Andreas Terlaak

Voorbij Hellevoetsluis pak ik de routebeschrijving uit de achterzak van mijn koersshirt. De leesbril verhuist van voorhoofd naar neuspunt. Wellicht ziet het er belachelijk uit, een vijftiger op een racefiets die, de handen los van het stuur, door proletarische Hema-lenzen een beduimeld printje bestudeert. Maar ik ben op een belangrijke missie: ik verken de tweede etappe van de Tour de France. De start is in Utrecht. Voor de eerste keer in de Tourgeschiedenis zal een etappe finishen op het water: Neeltje Jans.

Ik sla linksaf, de Haringvlietdam op. Het licht verandert op slag van kwaliteit. Zonlicht kaatst van het water terug tegen de wolkenpartijen. Die kaatsen het op hun beurt terug naar beneden. Is dit het unieke Hollandse licht waarover al zo veel is geschreven? Bijna. Vandaag is de atmosfeer net niet vochtig genoeg om het karakteristieke patina van zijdeglans op te roepen. Het water links van de dam is iets geler van kleur dan rechts. Een felle zijwind bombardeert me. Ideaal voor een pot ontwrichtend waaierrijden, maar in mijn eentje komt het er niet van. Een kilometer of veertig te gaan nog. Voorlopig moet ik de N57 volgen.

Ik probeer me voor te stellen hoe het er hier op de vijfde juli aan toe gaat in het peloton. Een prettige vergadering zal het niet zijn. Iedereen is fris en oorlogszuchtig. De ploegorders zijn fris en oorlogszuchtig. De winnaar van de proloog van Utrecht wil zijn gele trui consolideren, de sprinter aast op een zege in een massasprint, de klassementsrenner wil geen seconde verliezen, de naamloze probeert de dag naar zijn hand te zetten in een monsterontsnapping. Het peloton is een web van belangen en belangetjes. Elke ploeg wenst controle over de wedstrijd, maar met de zijwind van vandaag is het niet onwaarschijnlijk dat in het geharrewar om de controle belangrijke renners al voor het bereiken van de Haringvlietdam in ambulances zijn afgevoerd.

Beschut fietsen

Bij Ouddorp sla ik rechtsaf voor een lusje langs de kust. Had ik dat goed gezien, mogen fietsers hier niet in? Ik rijd door. Ouddorp slaapt. Geen glimp van de kust, laat staan van een horizon. Het is beschut fietsen achter dicht struikgewas en bomen. Mijn gedachten gaan uit naar die arme klassementsrenners en hun knechten die hier eventjes naar adem kunnen happen. Tenzij ze zich bevinden in de tweede of de derde groep van een uiteen gereten peloton. Voor een windgevoelige bergvlo als de Colombiaan Quintana is het meteen erop of eronder. Zijn knechten zullen stevig ontbijten.

Terug op de N57, althans op een parallelweggetje dat een paar meter lager ligt. Links het Grevelingenmeer, en rechts, aan de andere kant van de Brouwersdam en dus onzichtbaar voor mij, de Noordzee. Ik zou beschutting moeten hebben van de dam, toch hang ik scheef in de wind. De Brouwersdam zal door deze of gene ploeg ongetwijfeld worden aangegrepen om de bedsprei van de Tour nog eens op te schudden. Ik zie de helikopterbeelden al voor me. Met links en rechts het vonken schietende water wordt op het asfaltlintje het peloton, of wat daar nog van over is, in keurige waaiertjes geknipt. Van boven ziet het eruit alsof een toornige maar rechtschapen god orde aanbrengt in de chaos van een gedoemde wereld, beneden heerst een meer organische paniek.

De aanwijzing van Neeltje Jans als finishplaats door Tourorganisator ASO had voor een niet onbelangrijk deel te maken met dramatisch potentieel. Drama heeft een grote economische waarde. Tourdirecteur Prudhomme heb ik handenwrijvend horen verklaren dat de natuurkracht wind een zeer bekoorlijke dimensie geeft aan op zichzelf suffe competitie. Het wulpse wielerhart in mijn borst kan niet anders dan het met Prudhomme eens zijn.

Halverwege de Brouwersdam fiets ik de provincie Zeeland binnen. Zeeland. Opeens moet ik denken aan Japi. Japi, de geconstrueerde maar niet helemaal fictieve hoofdpersoon uit De Uitvreter van Nescio. Lang geleden, op de middelbare school, werd ik gegrepen, zeg maar gerust gevloerd, door het verhaal. De kunstschilder Bavink ontmoet De Uitvreter op een veerboot. Japi is van plan in de buurt van Veere, liefst terend op andermans zak, te ‘versterven’ door aan de waterkant te gaan zitten. „Het beste is dat ik maar stil zit”, zegt Japi. „Bewegen en denken is goed voor domme mensen”. De verteller is een zekere Koekebakker, het alter ego van de schrijver. Het Deltaplan is nog ver weg.

Vliegverbod

Ik kijk naar dezelfde lucht die Japi iets meer dan een eeuw geleden zag, en herinner me vreemd genoeg een banaal maar vrij recent berichtje uit de elektronische Provinciale Zeeuwse Courant: Vliegverbod voor drones boven de Tour de France. De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, Wilma Mansveld, heeft het verbod ingesteld.

Op 4 en 5 juli is het luchtruim gesloten voor al het burgerluchtverkeer dat niks te zoeken heeft boven de route van de Tour, drones inclusief. De ASO met zijn omvangrijke helikoptervloot heeft het rijk alleen. Invasie geslaagd, zonder bloedvergieten.

Zoals het peloton het zal doen op de vijfde juli , verlaat ik bij Renesse de N57 weer. Op last van de ASO. De ‘betonnen broodjes’ op de weg om het verkeer te temperen zouden te gevaarlijk zijn voor een op hol geslagen meute. Daar zit iets in. Maar bij Burgh-Haamstede kom ik via een scherpe rechtse bocht terug op de hoofdweg. Het is de bocht waar ASO over een lengte van vierhonderd meter omwille van de veiligheid een verbreding van anderhalve meter eiste. Die extra kostenpost had Zeeland niet voorzien. De PVV maakte hier een punt van, al was het aan de late kant. De touraankomst kost Zeeland sowieso bijna het vijfvoudige van wat aanvankelijk begroot was. Maar in grenzeloos optimisme wordt staande gehouden dat de investering op termijn de provinciale economie een boost geeft. That’s the spirit.

Nog twee kilometer. De pijlers van de Oosterscheldekering staan als witte menhirs in een unheimische weidsheid. Ik nader langzaam. Ik houd zelfs iets in. Ik weet wat er zo meteen gebeurt.

De Oosterscheldekering werd pas in 1986 voltooid. Vijf jaar later, ik was net renner af, bezocht ik als dagjesmens Neeltje Jans. Tot tranen geroerd was ik door de inspanning het water buiten de Zeeuwse deur te houden. Tot tranen geroerd om de rekenkracht van de ingenieurs die dit hadden bedacht. Heel af en toe slaagt de mens erin een veldslag tegen god te winnen.

Zo toen, zo nu. Op mijn fietsje val ik helemaal weg tegen de gigantische architectuur.

Op zondag vijf juli huldigt Neeltje Jans een prachtige winnaar, dat is zeker. En over een jaar of vijf vernemen we wel of de Zeeuwse investering gerendeerd heeft, of juist niet. De waterkering zal er onaangeroerd door blijven.