Voor ouders is wielrennen een hele dure grap

De Utrechtse wielerclub De Volharding wil een springplank zijn naar de profs. „Het is best een elitaire sport.”

Foto's Roger Cremers

Als een soort vaderfiguur ontfermt Nico Staal zich over zijn renners. De 53-jarige voorzitter van de Utrechtse Wieler- en Toerclub De Volharding kent vrijwel alle 280 leden. „Hoe gaat het?”, vraagt Staal aan zijn renners, voordat hij in detail over de komende koersen met ze praat. Uiteindelijk hoopt hij dat zijn jongens net als Wilco Kelderman de overstap maken van De Volharding naar het profwielrennen.

De amateurs van De Volharding kunnen bijna dagelijks trainen op het complex van de Nedereindse Berg, net buiten Nieuwegein. Op een oude vuilstortplaats ligt een geasfalteerde weg met klimmetjes en afdalingen. Het heuvelachtige parcours van twee kilometer heeft daarom wat weg van een mountainbikeroute.

Zoals kinderen vaak bij een vereniging gaan voetballen of hockeyen, kunnen ze ook ‘op wielrennen’. Staal heeft er zelf voor gezorgd dat het jongste lid van De Volharding, Casper van Uden (13) vanuit Schiedam komt om te fietsen. „Het wielerwereldje bij de amateurs is klein”, zegt Staal. „Er zijn in Nederland maar zo’n 4.400 renners met een licentie, die dus wedstrijden mogen rijden. Casper is een groot talent en daarom wilden we hem graag bij onze vereniging. Hier kan hij zich nog verder ontwikkelen.”

De Volharding is een amateurclub die als springplank hoopt te dienen naar de echte profs. Hoewel er een topsportklimaat heerst binnen de club, zijn de financiële middelen er niet om te concurreren met de grote Nederlandse ploegen. Bovendien heeft de vereniging ook ‘plezierrenners’, mannen die af en toe een wedstrijd willen rijden. De Utrechtse ploeg heeft drie eigen auto’s en gaat geregeld naar wedstrijden in het buitenland.

Staal: „De bekende oortjes hebben wij niet. Dat is alleen bij de profs. Hier betaalt iedereen ook contributie, we werken dus niet met contracten. Natuurlijk krijgen onze leden wel korting bij onze sponsoren op bijvoorbeeld sportkleding of fietsen.”

Inmiddels is de jongeling Van Uden samen met zijn moeder ook in het paviljoen aangekomen. Het ronde clubhuis, in de vorm van een wiel, wordt samen met het aangrenzende parcours gedeeld met nog enkele andere Utrechtse wielerverenigingen. „Ik schrok wel even toen Casper zei dat hij op wielrennen wilde”, vertelt de moeder van het 13-jarige talent. Zelf heeft ze gehockeyd en Van Udens vader was een fanatiek tennisser. „Wij hadden helemaal niks met wielrennen. Maar Casper was een jaar of zeven en wist het zeker. Hij zag het op televisie en wilde ook wielrennen.”

Speciaal voor ouders die de sport niet goed kennen organiseert voorzitter Staal met zijn collega’s informatieavonden. „Daarin waarschuwen we ook voor de bijkomende kosten”, geeft Staal, die tevens manager van de junioren is, aan. „Een privécoach kost meestal zo’n veertig tot zestig euro per maand. Wil je een beetje op niveau rijden, dan is zo’n trainer erg belangrijk. Verder moet een ouder rekening houden met jaarlijkse kosten van tien tot vijftienduizend euro. Dat gaat alleen al op aan materialen, (meerdere) fietsen en de vele reiskosten. Tenminste, als de renner het maximale uit zichzelf wil halen. Het hoeft niet duur te zijn, maar op dit niveau is het echt een elitaire sport.”

Waar het amateurvoetbal is opgedeeld in verschillende niveaus, „van de topklasse tot de bierelftallen”, is dat bij het amateurwielrennen niet zo. Afgezien van de leeftijdsgroepen, rijden alle renners in dezelfde wedstrijd. Bij de profs is doping een terugkerend thema, maar volgens Staal gebruiken de amateurs ook. „Maar bij onze vereniging niet. Als iemand ooit betrapt wordt, gooien we hem eruit. We geven ook voorlichtingsavonden aan ouders over wat doping is. Je moet je voorstellen dat voor veel van deze mensen vaak alles nieuw is.”

De doordeweekse trainingswedstrijden op de Nedereindse Berg zijn laagdrempelig. Voor drie euro per avond kunnen liefhebbers meerijden. Staal: „Maar ons motto is: winnen van jezelf. Natuurlijk zijn we niet allemaal een Wilco Kelderman, maar ik hoop wel dat iedereen het maximale uit zichzelf probeert te halen.”