Rood-wit-blauw

Rood-wit-blauw is een dundoek dat soms schrijnt in staatsie, maar het is toch vooral een kleurencombinatie die zomerse vrolijkheid en aperitieflust wekt. Zeilen in Friesland. Helaas niet meer in het wielrennen.

Dat Tom Dumoulin naast de driekleur viel op het NK tijdrijden verbaasde mij niet. Tom had niet eens zin in de wedstrijd tegen de chrono. Hij zat met iets veel groters in het hoofd: de gele trui bij le Grand Départ in Utrecht. Een nationale titel meer of minder interesseerde hem niet.

Wielrenners zijn überhaupt staatsverlaters. Driekwart van het seizoen rijden ze in het buitenland, soms ook nog voor een buitenlande ploeg. Dan wordt tricolore sensatie gauw bijzaak.

Er was een tijd dat landskampioen worden de waarde had van een klassieker. Vandaag is de driekleur slechts een van de vele vodden in het peloton. Het wielrennen is vergeven van truien. Puntentrui, bergtrui, witte trui, regelmatigheidstrui… in elke grote Ronde staat dagelijks een half dorp op het podium. De publicitaire waarde van een klassement in de Tour, bezegeld met een tricot, overstijgt de uitstraling van een kampioenstrui. Grote kampioenen doen trouwens zelden mee aan nationale titelraces. Sponsors zijn ook niet happig op de driekleur. Ik ken er een die zijn renners openlijk vroeg niet al te zeer aan te dringen voor de kampioenstrui, want die tricolore kleuren zouden zijn naam alleen maar verduisteren.

NK’s een week voor de start van de Tour programmeren is vragen om desinteresse van renners en publiek. Het past eigenlijk niet in de voorbereiding op de Tour en ook daarom wordt er in het beste geval hooguit een kermiskoers van gemaakt. De schijn van strijd.

Het is niet toevallig dat renners van de tweede garnituur zich vaak in de kampioenstrui mogen hijsen. Joop Zoetemelk bond niet eens de riempjes aan voor een NK-titelrace. Jan Raas lag ook niet wakker van het shirt. Renners van het type Johnny Hoogerland maken er nog wel een erezaak van. Uit armoe. Hij heeft een jaar in de nationale trui mogen rijden, maar niemand heeft het gemerkt: geen platte prijs gepakt.

Door de foute timing ontbreekt het de strijd om het rood-wit-blauw aan animositeit. Je hoort er nauwelijks iemand over. Lars Boom zit met zijn hoofd al in de kasseienrit van de Tour, Moreno Hofland in de eerste massasprint, Wout Poels op de flanken van l’Alpe D’Huez. Dat ritje door Drenthe zal hen worst wezen.

De degradatie van de kampioenstrui uit zich ook in de financiële vertaling ervan. De NK-titel leidt niet meer tot spectaculaire salarisverhoging en ook op criteriums na de Tour is het startgeld voor de bergtrui in La Grande Boucle het driedubbele van dat van de kersverse Nederlandse kampioen.

Natievorming in het wielrennen gebeurt buitenshuis. Lau en Bau destijds in de Tour, Poels op de Angliru, Dumoulin in Zwitserland. Aan Veenendaal-Veenendaal of de NK-races ontstaat geen Hollands glorie meer. Weet iemand nog wie drie jaar geleden Nederlands kampioen op de weg is geworden? Het blijft hakkelen en haspelen.

Om het met Thé Lau te zeggen: zeker in de koers is iedereen van de wereld. Alleen het veldrijden blijft honkvast.

Het is geen kwestie van dedain, maar nationale wielerwedstrijden zijn een anachronisme geworden.

Het NK op de weg of de TT Assen? Twijfelen is niet toegestaan. Op het motorcircuit rijst de wereld op, in Emmen hooguit gehuchtenheroïek. Ik hoop dat een renner van Roompot kampioen wordt. De ploeg is nog missionerend Nederlands. Sponsor, ploegleiders, renners van eigen bodem… zij gaan nog voluit voor een wielernatie die eigenlijk niet meer bestaat.

Gestreept tricot als mobiel substraat.