Redding ROC Leiden dwingt tot rem op schaalvergroting

Opnieuw redde de overheid afgelopen week een megalomane publieke instelling. En opnieuw blijft de burger achter met angst en boosheid. Het gevoel van boosheid geldt de gang van zaken bij het ROC Leiden, een scholengroep die vóór 1 juli 18 miljoen euro euro nodig had om faillissement te voorkomen. Het hele prijskaartje is zeker 40 miljoen euro. Faillissement zou vanwege wachtgelduitkeringen aan het personeel volgens ramingen van minister Bussemaker (Onderwijs, PvdA) nog duurder zijn.

De boosheid strijdt om voorrang met de angst dat dit niet de laatste keer zal zijn. Net als bij financiële instellingen is de vraag urgent: zijn zelfstandige organisaties die met publiek geld openbare voorzieningen uitvoeren te groot om bankroet te laten gaan. De lijst debacles groeit. In het onderwijs: Amarantis en InHolland. Woningcorporatie Vestia. De zorg kent een serie faillissementen: Meavita, Zonnehuizen, enkele ziekenhuizen; andere zijn gered door branchegenoten. Gevolg: nog meer schaalvergroting.

Het fiasco met ROC Leiden begon vóór de meest recente aanscherping van regels voor bestuur en toezicht. ROC Leiden kon dure en onpraktische gebouwen betrekken en hoge kosten naar de toekomst doorschuiven. Leerlingen zijn gedupeerd door slecht onderwijs. De overheid springt nu bij om de salarissen te betalen. De kosten van de reddingsactie komen ten laste van de sector zelf.

Het kostbare echec in Leiden is het zoveelste exces in de semipublieke sector. De reddingsactie confronteerde de Tweede Kamer met een inmiddels helaas bekend dilemma: de geldpomp aanzetten of dit onderwijsfiasco laten verzuipen? Voor beide is veel te zeggen. Een faillissement maakt duidelijk dat de samenleving niet wil betalen voor het falen van bestuurders, toezichthouders en andere belanghebbenden van een private organisatie. Dit moet het semipublieke domein duidelijk maken: op falen staan sancties.

Tegen een faillissement spreken de hogere publieke kosten en de gevolgen voor de leerlingen en docenten van een plotseling staken van het onderwijs. Bij die afweging van financiële en maatschappelijke belangen valt de redding te billijken.

Dit dilemma moet geen structureel karakter krijgen. Een sluitend model om debacles uit te sluiten is er niet. Maar bestuur en toezicht moeten verder verbeterd worden. De dreiging met persoonlijke aansprakelijkheid kan managers aansporen om hun taken zorgvuldiger en adequaat uit te voeren.

Maar dat is niet het enige. Wat opvalt in meerdere debacles is de combinatie van schaalvergroting, uitbundige groeiverwachtingen, excessieve vastgoedinvesteringen en bestuurders met grote ego’s en nog grotere beloningen. Daarbij moet worden bedacht dat de overheid schaalvergroting lang stimuleerde.

Soms is grotere schaalomvang nuttig en efficiënt. Om dure medische apparaten te exploiteren of om expertise aan te trekken. Maar de alom bekende nadelen van schaalvergroting worden meestal niet ten volle onderkend bij fusiebeslissingen. Bureaucratie. Gemis aan menselijke maat. Kosten van toenemende complexiteit.

Groot- en kleinschaligheid kúnnen samengaan. Buurtzorg bewijst dat. Daar werken 7.660 mensen, maar Buurtzorg is ook het schoolvoorbeeld van hooggewaardeerde lokale zorg. In de praktijk blijkt dat niet elke bestuurder groot- en kleinschaligheid kan combineren. Kleiner is niet vanzelfsprekend beter, maar groter is zeker duurder als het fout loopt. Zet daarom de rem op ondoordachte schaalvergroting.