Opkomst en ondergang van de concullegapolitiek

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Buma als de nieuwe Pechtold (en andere oppositieblues). Ofwel: wat de ravage in de oppositie zegt over de volgende coalitie.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer
Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Die Jesse Klaver opereert lang niet dom in zijn eerste weken. Doen alsof je boven „de werkelijkheid van de Haagse kaasstolp” staat. En je voorstellen voor besloten belastingonderhandelingen ’s zondags gewoon in het Journaal brengen. „Dit is”, zei hij, „hoe wij politiek bedrijven”.

Toch werd de jonge leider ’s maandags alweer in het Torentje verwacht voor – wink wink – een Haags onderonsje met de premier. Officieel was het een kennismaking, maar geloof het of niet: in de VVD was echt niet iedereen er gerust op.

Mark Rutte is nu eenmaal erg goed in kennismaken. Vraag maar aan Diederik Samsom of Jolande Sap. Hij laat „iets te knabbelen” aanrukken en als je niet oppast heeft hij in een uurtje zijn halve programma weggegeven (en jij het jouwe). Geen grotere valkuil voor een verse politiek leider dan een speed date met de premier.

Maar dinsdag waren alle sceptici in de VVD opgelucht. Dit keer geen vergaande toezeggingen aan links, zoals recent nog in de bed bad brood-crisis. Nu kan de coalitietop opgeruimd de vakantie in. Veel goed economisch nieuws op komst, terwijl de gevaarlijke btw-verhoging annex belastinghervorming al bijna kansloos is, nog voordat de onderhandelingen met de oppositie maandag beginnen.

Nu illustreert het geval-Klaver sowieso dat het minderheidskabinet Rutte II tegen zijn grenzen aanzit. Als een verse leider van een oppositiepartijtje een maand na zijn aantreden al in besloten onderhandelingen wordt geduwd, dreigt de rolverwarring tussen coalitie en oppositie wel erg groot te worden.

En nu je ziet hoe diverse oppositiepartijen binnenskamers met zichzelf in de knoop raken, is duidelijk dat hier iets groters speelt: de vraag of een minderheidskabinet als Rutte II, omdat het succesvol is, niet meer kapot maakt dan goed is.

Je zou het bijna vergeten – maar in de jaren van de premiers Lubbers en Kok werden minderheidskabinetten vaak gekoesterd als ideaal. Er was massieve kritiek op de strakke regeerakkoorden die elk debat smoorden, binnen de Kamer en daarbuiten.

In feite lag daar de basis van Fortuyns succes. Het punt was destijds niet zozeer dat je niet mocht zeggen wat je vond. Het punt was dat het er niet toe deed wat je vond: de oplossingen voor ongeveer alles hadden die coalities allang onder elkaar afgesproken.

In die context leek een minderheidskabinet, dat zijn meerderheden in de Kamers zelf moest verdienen, te mooi om waar te zijn. Openheid! Discussie!

En in 2012 werd dit ideaal, zij het per ongeluk, nog verwezenlijkt ook. Maar al vlot zagen we dat alle grote deals met de oppositie binnenskamers werden gesloten. En dat het met dat grootse debat dus ook nogal tegenzat.

Intussen wist Rutte steeds meer oppositiepartijen aan onderdelen van het beleid te binden. Echte oppositie, een diametraal tegenovergestelde opvatting inzake alles, bleef onder deze coalitie beperkt tot de dertien zetels van Wilders. Voor de rest verwerd de relatie van het kabinet en de oppositie tot de middenstanderslogica van de concullega.

Het fundamentele gevolg is dat politiek nooit meer over Grote Vragen gaat. Herman Tjeenk Willink, de oud-vicevoorzitter van de Raad van State, placht te zeggen dat je tegenspraak nodig hebt om tot samenspraak te komen. Maar op veel beleidsgebieden zie je dat de Haagse concullega’s amper tijd en ruimte voor tegenspraak hébben: de richting staat al vast, het doel ook.

Het praktische gevolg is dat oppositiepartijen bestraft worden voor hun gedeeltelijke meeregeren. Je kunt nog zeggen dat ChristenUnie en SGP hun constructieve oppositie redelijk schadevrij doorstaan. Maar voor D66-leider Pechtold ligt dat na na deze week nogal anders.

Vast staat dat Pechtold heeft bijgedragen aan het economisch herstel waarvan het kabinet gaat profiteren. Vast staat ook dat hij vanaf najaar 2013 politieke munt sloeg uit zijn steun aan het kabinet. Vaardig hield hij iedereen aan het lijntje, vaak regisseerde hij zo het Binnenhof. Hij steunde het begrotingsbeleid maar zette de coalitie op andere terreinen vaak vol in de wind. Geliefd in de coalitie werd hij er zeker niet door – maar intussen won hij er de ene na de andere verkiezing mee.

Langs die lijnen eiste hij vorig jaar, samen met Buma (CDA), ook hervorming van het belastingstelsel. In de coalitie verdachten ze de twee van een opzetje: iets eisen omdat ze allang wisten dat het onhaalbaar was.

Toch bleef Pechtold er ook dit jaar op hameren, en vorige week overviel de coalitie hem met een ongenaakbare tegenzet: een enorme belastingverlaging (die wordt sowieso aan de Kamer voorgelegd) en een riskante belastinghervorming (onder meer btw-verhoging), die alleen aan de Kamer wordt voorgelegd als de oppositie er binnenskamers steun aan geeft.

Pechtold zag hierna zijn hele spel uit elkaar vallen. Voor belastinghervorming, zijn grote thema, was ineens amper steun – ook niet bij Buma. Voor de belastingverlaging kreeg het kabinet daarentegen ruim steun – zij het niet van Pechtold, maar wél van Buma.

Zodat Pechtold niet alleen zijn regisserende rol kwijt was, maar óók het partnerschap met Buma verspeelde. En bovendien het vooruitzicht van dalende peilingen door de opkomst van Klaver moest dulden: geen geweldig resultaat van al die constructieve oppositie.

Intussen werd Buma in de armen van de coalitie gesloten. Buma speelde het slim: vorige week donderdag had hij al het besluit genomen de belastingverlaging te steunen. Hij hield de spanning erin tot het debat, voor maximaal effect.

Al was niet iedereen vol bewondering. Het CDA gaf de laatste jaren niet thuis als de coalitie steun vooraf vroeg, zodat Slob (CU) in kleine kring grapte dat „Buma blijkbaar alleen mee wil fietsen als het mooi weer is”.

Ook voor het CDA blijft de positionering in de oppositie een ongemakkelijke keuze. Buma probeerde zich eerder met ‘zeven principes’ op de rechterflank te plaatsen, waarmee hij afstand hield van de CDA-keuze voor ‘het radicale midden’ uit 2012.

Maar maandag publiceerde het Wetenschappelijk Instituut (WI) van zijn partij een bezorgde studie over de groeiende kloof tussen laag- en hoogopgeleiden, waarin steun aan „kwetsbare groepen” werd bepleit. De auteur was waarnemend WI-directeur Rien Fraanje, óók de auteur van het pleidooi voor ‘het radicale midden’ uit 2012.

„Ik denk dat de visie van Sybrand en mij niet verschilt”, vertelde hij me vergoelijkend. „Hooguit leggen wij het accent soms verschillend.” Ziehier het resultaat van drie jaar oppositie van het CDA: een blijvend zoeken naar het goede accent.

Zelfs de SP, die nooit aan onderhandelingen met Rutte II meedeed, heeft het moeilijk met zichzelf. Het zou zomaar kunnen dat er een venijnig gevecht uitbreekt. De sfeer in de Haagse fractie is sowieso gespannen.

En nu coryfee Jan Marijnissen dit najaar opstapt als voorzitter, de man die de SP op de kaart zette, circuleert in de partij – heel ongebruikelijk - een profielschets voor een opvolger, waaruit een hang naar openheid en minder autoritair leiderschap spreekt.

Ik ving op dat zelfs mede-partijoprichter Hans van Hooft sr. de profielschets steunt. Dit is niet zo, zei hij telefonisch uit Nijmegen. Wel had hij sympathie voor de actie, en voor het streven naar meer openheid. Dat dit in de partij werd gezien als afrekening met Marijnissen leek hem onzin. „Maar soms walst Jan over mensen heen, en dat mensen dit niet meer willen, begrijp ik wel”, zei hij.

En je voelt dat al deze sores in oppositiekringen een aankondiging zijn. Na drie jaar Rutte II zien zij, net als de coalitiepartijen, zoveel nadelen in dit minderheidskabinet dat de conclusie nu al vast staat: de volgende coalitie wordt weer een gewone meerderheidscoalitie. Geen concullegapolitiek, maar ouderwetse coalitiepolitiek.

Sterker: het échte nieuws van deze week was dat enkele senatoren van D66, CDA en VVD belangstelling bleken te hebben met elkaar eens door te denken over, inderdaad, een nieuw belastingstelsel. Alles in de wetenschap dat zij het vlot over zo’n stelsel eens kunnen worden, om zo de basis voor de volgende coalitie te leggen.

Een coalitie VVD, CDA, D66 aangevuld met SGP of CU – want experimenteren met een minderheidscoalitie: daar heeft niemand zin meer in.