Nairo’s nederige wereld

De Colombiaanse kanshebber op de Tourzege is een idool in zijn geboortestreek Boyacá waar eenvoud en rust centraal staan. Zijn wielerkwaliteiten hebben mythische vormen aangenomen. Dat geldt ook voor de armoede in zijn jeugd. „De buitenwereld verwart armoede met eenvoud”, zegt de burgemeester van zijn geboortedorp.

Nairo Quintana bereidt zich in zijn woonplaats Tunja voor op een trainingsrit. Bijna tien kilometer verderop, in Combitá, verkoopt vader Louís in zijn kruidenierszaakje sleutelhangers met zijn zoon erop.
Nairo Quintana bereidt zich in zijn woonplaats Tunja voor op een trainingsrit. Bijna tien kilometer verderop, in Combitá, verkoopt vader Louís in zijn kruidenierszaakje sleutelhangers met zijn zoon erop. Foto’s Luís Acosta/AFP

Het scheelde maar weinig of de wereld had nooit van Nairo Quintana gehoord. „Als kind was hij heel erg dicht bij de dood”, zegt zijn vader Luís (62).

Een baby was hij nog maar toen hij een mysterieuze ziekte kreeg, de ‘penetratie van de dood’. Hoe dat kwam? Moeder Eloísa was tijdens haar zwangerschap, zo gaat het verhaal, in aanraking gekomen met een lijk, een overleden familielid. Door het contact was Nairo besmet geraakt. Het was kantje boord, maar een elixer van geneeskrachtige kruiden hielp hem er weer bovenop.

Nairo kreeg als jochie ook nog eens last van zijn longen. Luís: „Hij moest vreselijk hoesten. Dat kwam vooral door het klimaat hier. We losten alles op met eigen middeltjes. We geloofden niet in gewone dokters.”

De Quintana’s – met drie zoons en twee dochters – hadden in die tijd een landje met gerst, mais en kippen en een huisje vaak vol pijn. Vader Luís is invalide sinds een ongeluk op zijn achtste jaar en strompelt door het leven, moeder Eloísa was ook vaak ziek. „Er waren momenten dat ik een compleet kadaver was, dus erg mager”, bekende ze eens. Nu geeft ze niet thuis en doet Luís het woord. „Het is niet altijd makkelijk geweest.”

El niño enfermo, het zieke kind dat in leven bleef met kruiden en dikke soep, is uitgegroeid tot een Colombiaanse wielerheld. Nairo Quintana uit Cómbita, een sluimerend plaatsje in de Andes, kan deze zomer zelfs de Tour de France winnen. De mokken die Luís voor zijn kruidenierszaakje heeft uitgestald, glimmen van optimisme. Een plaatje van een lachende Nairo, en de belofte dat de Tour van 2015 „een historische prestatie voor de glorie van Colombia” wordt. Luís verkoopt er best wat, naast frisdrank, snoep en chips: „Ik denk dat hij kan winnen, hij heeft zich goed voorbereid. Hij kan in ieder geval op het podium komen. Zijn conditie is goed.” En de 25-jarige Nairo ruikt zelf ook kansen. Weinig kilometers in de tijdritten en veel aankomsten bergop. De voorlaatste etappe is op Alpe d’Huez, een ideale Tour dus voor een klimmer als hij. In 2013 eindigde hij als tweede in Parijs.

Als de optimistische voorspelling op de mokken van Luís uitkomt, zal Cómbita in juli weer even het centrum van Colombia zijn. Zoals vorig jaar toen hij de Ronde van Italië won en het volk hem inhaalde in het roze van de Girotrui. Zelfs de president van Colombia was er. ‘Welkom thuis’, ‘Gefeliciteerd kampioen’, staat er nog altijd op de grote spandoeken bij het kruidenierszaakje en huisje van Nairo’s ouders. Fleurige banieren in het eindeloze groen van de Andes waar boeren in de klei zwoegen. Dit is Boyacá, land van poncho en papa (aardappel). Wieg ook van de Colombiaanse onafhankelijkheid. Hier was het dat Simón Bolívar bij de Brug van Boyacá de Spaanse kolonisten versloeg.

Boyacá is ook het land van de wielrenners, de klimmers die de hoogte in hun bloed hebben. Op drieduizend meter en hoger – je ziet ze overal, de gebogen gestalten die zich een weg naar boven trappen, geflankeerd door dampende trucks en scharrelende straathonden. In 2006 werd Nairo als belofte door een taxi geschept en lag hij vijf dagen lang in het ziekenhuis. Op de wegen van Boyacá is wielrennen een waagstuk.

Poncho en pet

„Nairo zwaait altijd als hij voorbijkomt”, zegt Luís Molina (48) die verderop met vrouw en drie kinderen aan de overkant van de weg woont. Luís, met poncho en pet, heeft een stenen huisje waar de honden en kippen in en uit lopen. Zijn kinderen kijken verlegen naar het bezoek. „Het is een hele gehoorzame, ijverige jongen.”

De afgelopen weken reed hij er weer rond, op de slingerweg van zijn woonplaats Tunja naar Arcabuco, waar hij op de fiets naar school ging. Als hij zin heeft rijdt hij soms helemaal tot aan Bogotá, met de bus drie uur verderop.

Hij woont een deel van het jaar in het Spaanse Pamplona, maar als het even kan gaat hij thuis op hoogtestage. Volgens zijn vader heeft hij ook heimwee. „Ja, hij mist de warmte van de Colombianen en van zijn familie.”

In de Andes volgt hij de sporen van de groten uit Boyacá, zoals Roberto (‘Pajarito - het vogeltje’) Buitrago, Patrocinio Jiménez en Fabio Parra. Zijn eerste trainer, Rusbel Achagua, kent zijn talent: „Hij lijkt op Eddy Merckx. Een goede klimmer met veel durf. Ja, hij is erg stil, maar hij praat met zijn benen.”

Ze zijn anders, de wielrenners uit Boyacá. Zeker anders dan de rivalen uit Antioquia, het departement in het noord-oosten van Colombia met Medellín (van de vroegere drugsbaron Pablo Escobar) als hoofdstad. Daar wonen de paisas. Het verschil? „Iemand uit Boyacá praat niet, maar doet. Paisas hebben een hoop praatjes”, schetst burgemeester Fernando Flórez van Tunja, de hoofdstad van Boyacá. Zijn werkkamer kijkt uit op de imposante Plaza de Bolívar, het centrale stadsplein met koloniale huizen, kathedraal en een beeld van de bevrijder te paard.

„De mensen uit Boyacá zijn sterk, zowel fysiek als mentaal”, vervolgt de burgemeester. „Bijna altijd hebben ze met hun handen op het land gewerkt. Ze hebben veel moeten lopen, naar school, naar het land. De wielrenners hebben de kracht om vermoeidheid en fysieke pijn te weerstaan. Onze ondernemers werken hard en zijn spaarzaam.” Nairo is een typisch kind van de streek, zegt Flórez. „Hij kan als wielrenner de beste allertijden worden, maar als persoon is hij nog beter. Hij is introvert, verlegen, en heeft een groot hart. Hij houdt van zijn gezin, zorgt altijd voor zijn ouders. Dat is typisch voor het karakter van mensen uit Boyacá. Hij is heel huiselijk.”

De burgemeester is van de Groene Alliantie en heeft een gifgroen jack aan. Tussen de imposante wapens van Tunja en Boyacá hangen ingelijste bolletjestruien, een van Quintana („voor mijn goede vriend Fernando Flórez”) en een van Mauricio Soler, een andere klimmer uit Boyacá. Flórez, die volgende week met de vrouw van Quintana bij de Tourstart in Utrecht zal zijn, heeft Nairo als talent zien komen. In 2008 was hij sportief manager van een team voor jonge renners. „Een zwartje [in Colombia een onschuldig koosnaampje] van 1,69, dun en mager. Maar hij was direct in staat 420 watt te trappen. Ik had toen geen twijfel meer dat hij een grote renner zou worden.”

Vleugje García Márquez

De burgemeester wil wel even een ergernis kwijt: het cliché dat de internationale pers van Quintana maakt. Dat van de arme boerenzoon, die een wielerheld is geworden. Want het nietige Cómbita heeft ze allemaal op bezoek gehad, The New York Times, The Guardian, de BBC. Allemaal geïnteresseerd in de geschiedenis van het jongetje dat van zijn vader een oude mountainbike kreeg, omdat hij de schoolbus niet kon betalen. En, zo gaat het verhaal verder, dat jongetje reed elke dag naar school, meer dan dertig kilometer berg af, berg op, en zou zo een van beste klimmers van de wereld worden. Armoede als sleutel tot succes. Het zou een verhaal kunnen zijn van Gabriel García Márquez, die in De kampioen van Colombia het tragikomische leven schetst van Ramon Hoyos, de slagersknecht die het op zijn dienstfiets tot wielerkampioen schopte. ‘En zo gebeurde het dat ik vooruitgang boekte in het beroep van wielrenner terwijl ik dacht dat ik me in het slagersvak bekwaamde’, tekende Márquez op uit de mond van Hoyos.

Dat van die fiets klopt, zegt vader Luís. Hij kocht er een voor een paar tientjes. Maar uit armoede? „Neuh”, bezweert hij: „We hadden genoeg eten: aardappelen, mais, tarwe, gerst. De kinderen hielpen altijd op het land. Ook hadden we vee en schapen. We waren niet rijk, maar waren een gewoon gezin.”

Maar die eerste fiets had „veel te veel ijzer”, vertelt Luís. Daarom gaf hij zijn zoon later een echte racefiets, die wel heel erg duur was. Luís geeft wel toe dat hij nog altijd met smart wacht op het pensioentje dat president Santos hem in 2010 had toegezegd. „Nooit meer iets van gehoord.”

Burgemeester Flórez: „De buitenwereld verwart armoede met eenvoud. Hier wonen mensen die nederig, bescheiden zijn, maar dat is wat anders dan dat ze niet te eten hebben.” En wie toch een vleugje Márquez wil: Nairo zocht een sponsor voor zijn broer Dayer, talent bij de junioren, en vond die ook: de politie. Die liet Dayer aanvankelijk voor de vorm een arbeidscontract tekenen. Maar waar Dayer nooit op gerekend had: hij moest prompt patrouille lopen en van wielrennen kwam lange tijd helemaal niets terecht. De jongste broer van Nairo rijdt inmiddels voor Movistar, waar ook Nairo in dienst is.

In de streek roemt iedereen zijn eenvoud. De boeren zullen nooit vergeten dat hij hen in 2013 steunde in de strijd voor betere aardappelprijzen. „Hier is de armoede, in Bogotá wordt het geld verdiend”, zegt José Vargas (36), die wel even van zijn landje wil komen om zijn verhaal te doen. Zwarte werkhanden en een gedeukt hoedje met moddervlekken. „De prijs voor aardappelen was gedaald tot 15.000 pesos [een paar euro] voor een zak van vijftig kilo. En de prijzen voor kunstmest gingen omhoog. We hadden weinig meer om van te leven. De regering had ons een veel hogere prijs gegarandeerd.”

Temidden van wegblokkades en rellen met de mobiele eenheid, sprak Nairo vanaf zijn zadel voor de tv zijn sympathie voor de boeren uit. En wat gebeurde er? Alle schoppen gingen omhoog en Nairo kon ongestoord langs de versperringen fietsen. Vargas: „We zijn trots op hem. De mensen hier zijn geboren voor de schop. Jonge kinderen werken hier al vroeg op het land. Kijk maar eens wat voor kracht je daar voor nodig hebt. Dat komt in het wielrennen van pas.”

Campagne tegen machismo

Tunja zet de stille renner inmiddels in voor een campagne tegen de uitwassen van het machismo. Op billboards en buttons staat hij voor de ‘nieuwe man’ die lief is voor vrouw en kinderen. ‘Je bent meer man als je minder macho bent’ en ‘ouderschap doe je met z’n tweeën’. Burgemeester Flórez heeft zo’n button op zijn jasje. „Hij heeft gewoon een hele positieve uitstraling.” Op school had hij weinig vrienden, over meisjes sprak hij al helemaal niet. Totdat hij plotseling voor de dag kwam met Yeime Paola Hernández, een meisje uit het dorp met wie hij drie jaar geleden is getrouwd. Samen hebben ze een dochtertje, Mariana.

Wat Nairo Quintana zo populair maakt, is dat hij dicht bij zijn oorsprong is gebleven, zegt iedereen. Op het plein van Arcabuco vertelt Adrian Vargas, een tiener met grijze wielerhelm en rode zonnebril, dat Nairo vaak met zijn team mee traint. Hij heeft helemaal geen kapsones, ook al is hij een bekende wielrenner. „Hij is zijn volk niet vergeten. Onderweg zegt hij niet veel, maar hij leert je vooral dat je met je hoofd moet fietsen.” Vargas traint voor La Vuelta de la Juventud in Venezuela, een jeugdwedstrijd over zes etappes. „We maken zeker kans om te winnen.” De renners uit Boyacá vertrouwen op hun klimkunst en kracht, doping zouden ze helemaal niet nodig hebben, zeggen ze. Ach, er worden elders in Colombia wel eens individuele renners gepakt met amfetamine of ander spul, maar een heel team zoals Rabobanco? Nee, dat gebeurt hier niet.

Een Tourzege van Quintana zal het Colombiaanse wielrennen definitief verlossen van het imago van de exotische klimgeiten. Lino Casas (54) heeft een wielerschool in Tunja en trainde zowel Nairo als diens broer Dayer. Casas behoorde tot de eerste generatie Colombianen die in Europa reed. In 1988 deed hij mee aan de Ronde van Spanje. „We werden vreemd aangekeken, iedereen vond ons een apart stel. Je moest uitkijken dat ze je niet van de weg reden. Miguel Indurain danste van de ene waaier naar de andere. Wij wisten niet eens wat een waaier was. De Spanjaarden waren jaloers omdat onze Lucho Herrera het jaar ervoor de Vuelta had gewonnen. ‘Pak je bergprijs, dan kunnen ze in dat dorp van jou carnaval gaan vieren’, zeiden ze. Heel denigrerend.”

Vandaag geeft Lino les aan dertien kinderen. Dochter Dana Valentino (10) met roze fiets, gevlochten staartje en stoere helm, is de beste en doet behendig alle oefeningen voor: slalommen langs pionnetjes, op de fiets een muntje van 200 peso’s oprapen, onder een laag afgestelde lat door rijden. Haar favorieten? Mariana Pajón, winnaar BMX op de Spelen in Londen en natuurlijk Nairo, „die altijd strijdt om te winnen”.

Of het deze zomer eindelijk gaat lukken? Mauricio Soler pijnigt zijn hersens. „Zijn rivalen zijn van groot formaat. Contador, Froome, Nibali. Ik hoop voor hem dat het lukt. Maar het is moeilijk, moeilijk.” Soler (32) gaf in 2012 zijn carrière op, nadat hij een jaar eerder in de Ronde van Zwitserland bij een val zwaar hersenletsel had opgelopen. Hij kan zich nog maar weinig herinneren. „Mijn harde schijf is gewist”, vertelt hij in zijn woonplaats Ramiriquí, ook in Boyacá. Soler (‘De Vuurpijl’ vanwege zijn rappe demarrages) won in 2007 de bolletjestrui in de Tour. Dat weet hij omdat hij er na zijn val video’s van heeft gezien. En wie volgde hem op bij Movistar? Nairo Quintana.

Nairo is nog zijn enige vriend uit de wereldwereld, de rest van het peloton is doorgereden, vertelt hij in de werkplaats van zijn schoonvader. „We zien elkaar een of twee keer per jaar. Nairo zit natuurlijk veel in Europa.” Fietsen lukt hem niet meer. Hier in de Andes zijn succes en tragiek elkaars buren.

Aan de gebeden zal het niet liggen. De hele streek is toegewijd aan ‘Onze Lieve Vrouw van het Wonder’. In het wit-blauwe kerkje aan de rand van Tunja is het altaar versierd met bloemen. De wanden hangen vol met kaartjes waarmee de gelovigen de heilige maagd bedanken voor het verhoren van hun gebeden. Er zijn bewezen wonderen, zeggen de kerkgangers. Ontvoerde familieleden die na gebeden terugkwamen, ongeneeslijk zieke kinderen die gezond werden. Als Nairo in Tunja is, gaat hij altijd even langs. Hij is heel devoot, weet de mevrouw van het restaurantje naast het kerkje.

Het zal moeilijk worden, maar voor een bedankje van Nairo is er straks op de kerkwand vast wel een plekje te vinden.