Liefde als driecomponentenlijm

Intimiteit, vertrouwen en seks. Een ideale liefdesrelatie heeft ze alle drie. Maar de seks neemt wel af en de andere twee niet. Hoe dat komt, is een raadsel.

ILLUSTRATIE ARJEN BORN

Wat is liefde? Dit, bijvoorbeeld: „Een brandende koorts, een razende passie; en de gevolgen ervan zijn eindeloos gevaarlijk, wanneer iemand die eronder lijdt erdoor wordt overwonnen. Zo iemand kan niet meer over zichzelf beschikken [...] Dat verlangen zal, indien dat wordt toegestaan, in manie en gekte veranderen; en dat is grotendeels onvermijdelijk, want de natuur heeft ons die neiging gegeven.”

Dat schreef de Franse theoloog en filosoof Pierre Charron rond 1600 in een van zijn boeken over wijsheid. Het is een van de oudste geschriften over liefde die te vinden is in de wetenschappelijke database van de American Psychological Association, de Amerikaanse vakvereniging van psychologen.

Charron benadrukte vooral sensualiteit en „vleselijke liefde” (seks dus) en hij was daar niet bepaald enthousiast over. Hij vond dat we de vuren die we niet helemáál kunnen uitdoven in elk geval moeten afkoelen.

Maar het interessante is dat deze kerkgeleerde destijds ervaringen beschreef die, ontdaan van angst en afkeer, niet zouden misstaan in een modern popliedje, van een oude crooner of een jonge rapper, al dan niet met schaars gekleed achtergrondkoor. Want hoe mensen denken over liefde mag dan veranderen, net als plaats die romantiek inneemt in de samenleving – maar ook honderden jaren oude liefde is nog gemakkelijk herkenbaar. Romantische liefde, inclusief lust, lijkt wel altijd en overal ongeveer hetzelfde te voelen, zo kan iemand concluderen die op zevenmijlslaarzen door de wetenschappelijke liefdesliteratuur stampt.

Met liefde krijgen de meeste mensen ooit te maken, soms ontredderend vrolijk en soms verlammend pijnlijk. Het is zonder twijfel het meest bezongen onderwerp in liedjes, boeken, films en andere kunstvormen, maar als onderwerp van wetenschappelijk onderzoek wordt het nog maar kort serieus genomen. In de jaren 60 en 70 konden psychologen die overheidsgeld aan onderzoek naar liefde wilden besteden nog rekenen op agressieve reacties van collega’s die dat zonde van het geld vonden. Dat vertelde de Amerikaanse psycholoog Arthur Aron (Stony Brook University in New York), die in liefdesonderzoek gespecialiseerd is, onlangs aan de telefoon.

Aron werd bekend door onderzoek dat hij in 1974 samen met Donald Dutton publiceerde: daarin voelden mannen zich sterker aangetrokken tot een vrouwelijke onderzoeker als ze net over een wiebelige brug over een ravijn hebben gelopen (die mannen interpreteren hun eigen opwinding dan als seksuele belangstelling). Een paar jaar geleden kwam hij in het nieuws met onderzoek waaruit bleek dat ook mensen in een lange relatie nog intens verliefd kunnen zijn.

Als hij een onderzoeksvoorstel schrijft, zei Aron, heeft hij meer kans op geld als hij het potentieel ontwrichtende karakter van de liefde benadrukt. „En ik zorg ervoor dat ik het woord ‘liefde’ vermijd. Ik heb het dan bijvoorbeeld over ‘intense romantische aantrekkingskracht’.” Want liefde? Yuk! Zo dacht Charron er al over. Ook dát gevoel bestaat kennelijk al honderden jaren.

Wat is liefde nu?

Wat denken we inmiddels over de vraag wat liefde is? Dat je iemand wilt, helemaal, alleen die ene, verder niemand – dát is liefde. Mensen die een goede relatie hebben, blijken er niet erg op te letten of anderen dan hun partner aantrekkelijk zijn. En als je het hun vraagt, vinden ze anderen dan hun partner minder aantrekkelijk dan die anderen in het algemeen (door derden dus) worden gevonden. Het gaat in de romantische liefde om die ene, verder niet.

Dat is zéker zo in het eerste stadium, intense verliefdheid. Maar het is ook het ideaal na dat eerste stadium. Oké, er zijn mensen die vreemdgaan – in Amerikaans onderzoek gaf 20-25 procent van de mannen en 10-15 procent van de vrouwen toe tijdens hun huwelijk weleens seks te hebben gehad met iemand anders dan de eigen partner (zie Sociology Compass, 2012). Je kunt je afvragen of dat veel of weinig is, en ook hoe nauwkeurig en hoe wáár zulke cijfers zijn – de variatie tussen onderzoeken is groot – maar waarschijnlijk doen de meeste mensen het niet.

Bij een deel van de mensen in een vaste relatie houdt een verliefdheid zelfs tientallen jaren aan: zo’n 30 tot 40 procent van de Amerikaanse stellen die langer dan tien jaar getrouwd zijn, zegt nog steeds intens verliefd op elkaar te zijn. Dat was in onderzoek van Aron en collega’s (Social Psychological and Personality Science, 2011). (Het is overigens niet bekend hoeveel van deze nog steeds intens verliefden weleens zijn vreemdgegaan.)

Drie onderdelen van liefde

Liefde is lijm, daar komt het op neer. Driecomponentenlijm: in onderzoek blijkt liefde vaak uit drie elementen te bestaan. De Amerikaanse psycholoog Robert Sternberg beschreef die drie componenten waarschijnlijk het eerst en het duidelijkst (Psychological Review, 1986). De eerste is intimiteit, een gevoel van emotionele verbondenheid en warmte. De tweede is commitment, vertrouwen in elkaar en de relatie, het besluit dat je (op korte termijn) van iemand houdt en (op langere termijn) van plan bent bij diegene te blijven. En de derde component bestaat uit fysieke aantrekking en seksueel verlangen. Warmte, commitment en seks, dát is liefde.

In verschillende relaties kunnen die drie elementen in meer of mindere mate aanwezig zijn, maar de ideale, complete liefdesrelatie, schrijft Sternberg, heeft ze alle drie. De drie componenten hangen samen, met elkaar en met de kwaliteit van de relatie: hoe meer warmte, commitment en seks, des te beter de relatie. Wat dat betreft is het dus jammer dat de seksuele frequentie in relaties in de loop der tijd afneemt – zeker sterker afneemt dan commitment en warmte. (Zoals iemand die veel van liefdesonderzoek afweet en die al jaren een relatie had het ooit per ongeluk formuleerde: „Warmte, commitment... en wat was die derde ook alweer?”)

We moeten die afname in de seksuele frequentie trouwens niet overdrijven. In onderzoek onder een ‘zo representatief mogelijke’ steekproef van de Nederlandse bevolking (inclusief alleenstaanden dus) uit 2011 hadden ouderen (55-70 jaar) even vaak seks als jongeren (15-24 jaar): gemiddeld ongeveer één keer per maand. Ter vergelijking: de seksuele topjaren, qua frequentie, liggen tussen 25 en 54 jaar – dan doen mensen het gemiddeld ‘een paar keer per maand, maar niet wekelijks’ (Tijdschrift voor Seksuologie, 2012). Dertig procent van de ruim 8.000 deelnemers aan dit onderzoek had geen vaste relatie en die groep drukt de gemiddelde seksfrequentie duidelijk omlaag. Stelletjes doen het nu eenmaal vaker dan singles, zelfs al doen stelletjes het in de loop der tijd steeds minder vaak.

Seks is raar

En ja, het is natuurlijk jammer, dat de seksuele frequentie in de loop van een relatie afneemt. Maar je moet er toch ook niet aan denken dat die frequentie jarenlang op hetzelfde fanatieke niveau gehandhaafd bleef: dat je het twee- à driemaal daags blijft doen met iemand van wie je steeds minder houdt en met wie je steeds minder tijd wilt doorbrengen. Zo zou het zijn als, in plaats van seks, warmte en commitment uit de relatie zouden wegslijten.

Hoe komt het eigenlijk, dat seks zich anders gedraagt dan die andere twee componenten van de liefdeslijm? Misschien doordat seks evolutionair gezien ouder is dan romantische liefde. Seks doet de soort voortbestaan; misschien hebben we de romantiek, de warmte en commitment dus, er in de loop der tijd bijgehaald om de liefdeslijm sterker te maken, de menselijke liefdesrelaties monogamer. In Perspectives on Psychological Science speculeerden Amerikaanse, Canadese en Nieuw-Zeelandse psychologen eerder dit jaar over het evolutionaire voordeel van monogame relaties voor de mens.

Misschien, schrijven ze, heeft de evolutie de mechanismen van warmte en commitment geleend die mensenouders aan hun kinderen bindt en die gebruikt om mensenmannen aan mensenvrouwen te binden. Geliefden hebben vaak koosnaampjes voor elkaar, net als ouders voor hun kinderen. Geliefden praten soms op babytoon met elkaar, net als ouders tegen hun kinderen. Geliefden knuffelen (ook) graag niet-orgasmegericht met elkaar, net als ouders met hun kinderen. Geliefden kijken graag naar elkaar, kunnen niet lang zonder elkaar – hetzelfde met ouders en kinderen. Er lag in feite al een heel systeem van warmte en commitment klaar in het menselijk brein; dat kon gemakkelijk wat breder worden ingezet. En volgens de psychologen had het evolutionair voordeel om het voor monogame liefdesrelaties te gebruiken.

Wat is er dan zo gunstig aan monogame relaties? Die zijn goed voor de mensen in die relaties zelf én voor hun kinderen, beargumenteren de psychologen. Mensen in een prettige relatie zijn gemiddeld geestelijk en lichamelijk gezonder dan mensen zonder relatie. Ze hebben emotionele steun aan hun partner en die partner kan mee op hun gezondheid letten. En met de kinderen van mensen in een gelukkige relatie gaat het gemiddeld beter dan met kinderen van gescheiden ouders; die worden bijvoorbeeld gemiddeld vaker depressief of agressief en ze halen een minder hoge opleiding.

Kortom: we hebben liefde nodig, romantische liefde is goed voor ons en de meeste romantische relaties blijven gelukkig lang goed.

Maar de keerzijde is dat liefde onbeantwoord kan blijven, op ongewenste momenten toe kan slaan, dat relaties pijnlijk kunnen mislopen. Dat kan mensen intens ongelukkig of verward maken. Logisch, misschien, want wat heb je aan lijm als je de boel zo weer lostrekt? De evolutie heeft de Post-It van de menselijke liefde nog niet uitgevonden.

Misschien komt dat nog, ooit, mocht dat in de praktijk gunstig blijken. Het zou een hoop gedonder schelen – en het zou interessant zijn om te zien waar mensen dán kunst over zouden gaan maken. Wel is het jammer dat die toekomstige mensen ons niet meer zouden begrijpen, zoals wij Pierre Charron nog steeds begrijpen. „Zelfs de zee”, schreef hij, „heeft niet meer golven en deiningen, wispelturig en onstuimig in zijn geslinger en geschommel, dan het hart van de mens verlangens heeft. Ook dat is een onmetelijke en oneindige oceaan, die geregeerd wordt door talrijke en onzekere winden en getijden, en soms is het verward en besluiteloos.”

Natuurlijk, dat is filosofie, het is beschrijving, in die tijd was het zelfs wetenschap – maar het klinkt toch ook, zelfs ruim vierhonderd jaar later nog, alsof Charron héél goed wist waarover hij het had. De arme man.