Opinie

Labbekakker

Youp van ’t Hek

Youp

Moest steeds naar dat hoofd kijken. Dat slecht geverfde haar! Waarom wil iemand dat? Hij wordt toch wel goed betaald door die werkgevers? Of keken we nog naar de grondverf? Dat we hem net tussen twee kappersbeurten hoorden kakelen. Is hij inmiddels afgelakt?

Dat je als oude man je haar laat verven is al redelijk sneu, maar dan nog zo lelijk. Door wie laat hij dat doen? Door een kleurenblinde Pool? Heeft hij geen vrouw die daar iets van zegt? Een lief dat van hem houdt en niet wil dat hij zwaar voor lul loopt? Of is zijn echtgenote zo’n op skistokken steunend rugzakjesexemplaar, die het zelf ook allemaal niks meer kan schelen? En welke grapjas heeft hem dat brilmontuur aangepraat? Er was toch wel een spiegel bij die opticien? Ik geef onmiddellijk toe dat mijn ziekenfondsbrilletje, dat ik al meer dan veertig jaar op mijn veel te grote neus heb, saai is en ik snap heus wel dat sommige mannen af en toe iets anders willen. Een nieuwe look! Meer 2015! Maar dan laat je je toch niet afschepen met een bril uit de tijd van Lous Haasdijk en Lee Towers? Hij doet een beetje denken aan een reclamejongen met succes. Maar dan wel twintig jaar terug. Galeriehouders in de provincie liepen er toen ook zo bij.

Waar ik aan moest denken toen ik het interview met hem las? Aan vroeger. De hockeyclubs waar ik tot mijn zestiende regelmatig ronddoolde. Daar had je diverse soorten kakkers. De fanatieke kakkers die gewoon in het eerste wilden spelen en met dat elftal de hoofdklasse wilden halen. Niks mis met die ambitie. Voor dit soort jongens en meisjes zijn die hockeyclubs ooit opgericht.

Dan had je ook nog de bestuurskakkers, types die op kantoor niet zoveel in de centen hadden te brokkelen en dat compenseerden door zich te bemoeien met barcommissies, aan te leggen kunstgrasvelden, de niet onbelangrijke bieromzet en de nieuwbouw van een megalomaan clubhuis. Bestuurskakkers hebben doorgaans rammelderammelhuwelijken en redden die door zeven avonden per week niet thuis te zijn.

Verder had je de gewone kakkers, die op zondag een potje hockeyden met hun vrienden en die op zaterdag trouw hun kinderen in de B6 stonden aan te moedigen. Brave contributiebetalers waar je als club geen seconde last van hebt.

Maar de ergste kakkers waren de labbekakkers, een heel speciaal soort. Bijna altijd mannen, meestal uit puissant rijke nesten of ze waren met het domste exemplaar uit zo’n geslacht getrouwd. De gemiddelde labbekakker kreeg uit de familie een maandelijkse toelage onder voorwaarde dat hij zich niet in het familiebedrijf vertoonde. Uitkeringstrekker avant la lettre!

Wat zo’n labbekakker deed? Niet veel. Beetje stoeien op de beurs, iets te hardop de krant lezen in het plaatselijke café, paar keer per week een rondje golfen en in de weekends hele dagen hangen aan de bar van de hockeyclub. En daar een ongelooflijk grote muil hebben. Over alles. Toen over Vietnam, Cambodja, Provo’s en de koude oorlog. En nu hebben ze het ongetwijfeld over steuntrekkende Grieken die hun schulden niet terugbetalen, over graaiende Groeninkjes en Polmannetjes die vinden dat ze veel te veel verdienen, maar geen eurocent terugstorten, over negers die onze kant op dobberen om hun zwarte handjes op te houden en over geschoolde uitkeringstrekkers die te lui zijn om met het radiootje aan asperges te gaan steken in het Limburgse zonnetje! Borrelpraat onder het motto: goed dat het een keer gezegd wordt. Zeker in een land waar ze vergeten de boeven in te rekenen. Boeven die zich verdomme zelf melden bij politiebureaus en aan de gevangenispoort.

In mijn jeugd kreeg de labbekakker veel bijval en ik vrees dat hij nog steeds op heel veel instemming kan rekenen. Er zijn namelijk heel veel collega-labbekakkers die de hele dag dito lucht verplaatsen. Met hulp van liters vieze witte wijn kotsen ze hun opinie door de kroeg of stotteren ze hun woorden op twitter. Sommigen beginnen al om half zeven ’s morgens.

Terwijl ik denk: kijk nou even in de spiegel. De spiegel van een goede kapper. En loer door een normale bril. Niet zo’n knalblauw nichtending. Begin daar nou eens mee. En trek pas daarna je stuitende, discriminerende labbekakkersbek open. Het is maar een tip meneer De Boer. Een tip en een mening!