‘Ik wil succesvol oud worden’

Vijfentwintig jaar lang deed Dorly Deeg (65) onderzoek naar oud worden, nu is ze het zelf. Bij een broodje forel geeft ze een korte cursus voor na het pensioen. „Maak nieuwe vrienden.”

Foto: Merlijn Doomernik
Foto: Merlijn Doomernik

Op maandag is professor Dorly Deeg (65) tegenwoordig vrij. Ze is nog maar net met pensioen. Ze was hoogleraar ‘epidemiologie van de veroudering’ bij het VU Medisch Centrum in Amsterdam. Vijfentwintig jaar lang leidde ze een wetenschappelijke onderzoeksgroep die alle mogelijke gegevens verzamelt onder Nederlandse ouderen; zijn ze gelukkig, hulpbehoevend, werken ze, wie zorgt er voor ze, doen ze vrijwilligerswerk? Nu is ze het zelf. Oud. Wettelijk te oud voor een vaste baan. Ze noemt de maandag nu gelaten een „niet-betaalde thuiswerkdag”. We spreken af in de stad waar ze woont, bij café-restaurant Loos in Rotterdam. 

Haar stem is helder en opvallend meisjesachtig, haar oogopslag verlegen. Ze zegt dat ze 55 worden al een enorme mijlpaal vond. „Ons ouderenonderzoek richt zich op 55-plussers. Ik weet nog goed dat ik onze vijfduizendste respondent een bos bloemen uitreikte. Gewoon een vrouw met een baan, net zo oud als ik.” Ze moet wennen aan haar „pensioengerechtigde leeftijd”. In haar geval bereikte ze die toen ze 65 jaar en drie maanden oud was. „Wie zoals ik geboren is in 1950 heeft drie maanden erbij. De mensen uit de geboortejaren na mij gaan steeds iets later met pensioen.” Zij heeft net zo lang gepuzzeld tot ze een manier vond om tóch bij de universiteit te kunnen blijven. Ze heeft een nieuw onderzoeksvoorstel ingediend en nu heeft ze tot eind 2017 een baan voor twee dagen. Betaald. „Dat wilde ik per se. Anders hang je er zo bij.”

Nu niet boos worden, lezers die de dagen tot hun pensioen aftellen. Dorly Deeg weet als geen ander dat langer doorwerken voor veel 55-plussers geen feestje is. Feit 1: zestig procent van de 55 tot 64-jarigen heeft tenminste één chronische ziekte (reuma, hartziekten, cara). Dus ja, voor ouderen wordt zwaar fysiek werk lastiger. „Oude loodgieters hebben het zwaar. Maar onderschat niet al die beroepen waarvoor cognitieve vaardigheden vereist zijn. Werknemers van nu moeten snel schakelen, nieuwe technieken aanleren, onder druk kunnen werken.”

En dan wordt feit 2 relevant: een op de vijf 60-jarigen ondervindt geheugen- en of andere cognitieve problemen. „Ouderen die boven hun kunnen moeten presteren, hebben daar soms jaren na hun pensionering nog last van, fysiek en geestelijk.”

Ouderdomskwaal

Ongelofelijk. Dorly Deeg leest de minuscule letters op de menukaart zonder bril. Dat kunnen veel veertigjarigen niet eens. Ze glimlacht. „Ik had staar.” Een ouderdomskwaal. Met een operatie moesten haar ooglenzen worden vervangen door een kunstlens. „Ik had altijd één verziend en één bijziend oog. Ik zei tegen de oogarts: geef mijn bijziende oog dan ook maar een bijziende lens.” Ze legt de kaart weg. „Vandaar.” Het klinkt verontschuldigend. „Nou ja, ik vond het nogal wat. Je bent toch je eigen ooglenzen kwijt.”

Verder nog slijtage, ergens? Ze wijst op haar rechterknie. „Artrose.” Ze heeft de diagnose kort geleden gekregen. Sindsdien doet ze aan krachttraining. Verbaasd: „Dat helpt dus echt.” Deed ze daarvoor aan sport? Ze schudt haar hoofd. „Ik heb alles wat ik over gezond ouder worden wist nooit erg op mezelf van toepassing gevonden.”

Haar moeder is 89 geworden. Haar vader is weliswaar al op z’n 74ste overleden, maar de kinderen uit zijn eerste huwelijk werden heel oud. „Mijn halfzus is 90 geworden, mijn halfbroer is bijna 92.” Haar genen voorspellen dus dat ze nog wel even heeft. De gemiddelde levensverwachting is nog nooit zo hoog geweest, zegt Dorly Deeg. Een vrouw van 65 wordt gemiddeld 87, een man van 65 rond de 84.

„De grootste winst in jaren is bereikt doordat mensen minder zijn gaan roken.” Maar de conclusie dat we ouder worden, doordat we gezonder zijn, berust op een misverstand. „We leven langer doordat we zieken langer in leven kunnen houden.” Is lang leven wel zo aantrekkelijk? „Nu denk ik van wel. Ik heb nog zo’n twintig jaar te gaan. Dat vind ik niet zo lang, hoor.”

Lang leven is één, maar iedereen wil natuurlijk lang en gelukkig leven. Dorly Deeg heeft ook onderzoek gedaan naar „succesvol ouder worden”. Haar kaarten voor een redelijk voorspoedige oude dag zijn gunstig. Ze somt de voorspellende factoren op: Ze is gezond. Hoog opgeleid. Ze heeft geen neiging tot depressie. Ze heeft een groot sociaal netwerk. Veel vriendinnen. Geen kinderen, helaas, maar wel een partner en dat is weer een pre. „Hij is vijf jaar jonger. We bereiken ongeveer tegelijkertijd onze gemiddelde levensverwachting. We zeggen soms tegen elkaar: ‘als ik straks alleen achterblijf...’. Puur statistisch bekeken hebben we daarop allebei evenveel kans.” Stel dat zij achterblijft, wat dan? „Ik heb tot mijn 35ste alleen gewoond. Ik weet dat ik het kan.” En voor het geval de ouderdom echt toeslaat en er niemand is om voor haar te zorgen, heeft Deeg een potje. „Ik spaar voor mijn eigen zorg.”

We eten een broodje en drinken verse jus d’orange en verse muntthee. Of je „succesvol” veroudert, zegt ze, hangt voor een deel van jezelf af. Kun je jezelf vermaken? Leg je makkelijk contact? Ben je goed geweest voor anderen, opdat ze goed zullen zijn voor jou? Zij noemt dat de theorie van wederkerigheid. Liefdevolle ouders brengen helpende kinderen voort, trouwe vrienden steunen elkaar onderling.

Vriendschapscursus

Maar hoe ouder je wordt, hoe meer mensen er toch wegvallen? „Dan zul je je sociale netwerk moeten aanvullen. Mijn moeder is op haar zeventigste helemaal opgebloeid. Ze was weduwe en haar moeder, voor wie ze al jaren zorgde, overleed. En toen kreeg ze ineens allemaal nieuwe vriendinnen en hobby’s.” Wie nieuwe vrienden maken lastig vindt, een collega van Dorly Deeg – Nan Stevens, hoogleraar sociale gerontologie aan de VU – geeft vriendschapscursussen voor ouderen.

Oude mensen takelen af. Rond hun 75ste heeft het merendeel van de mensen gezondheidsproblemen. „De vraag is: hoe goed kun je je aanpassen aan het verlies van functies?” Neem haar halfzus, die 90 werd. „Zij leed aan hartfalen. Zulke dikke benen had ze. Eerst kon ze haar stoel niet meer uit, daarna lag ze alleen nog in bed. Maar ze bleef geestelijk fit. Ze was geïnteresseerd. Ze nodigde mensen uit bij haar thuis, organiseerde etentjes.”

De moeder van Dorly Deeg woonde de laatste jaren alleen. Ze had een hond. „Elke avond maakte ze een praatje met een buurman die ook zijn hond uitliet. Toen brak ze haar heup. De man bood aan haar hond uit te laten, hij liep toch langs haar huis. Jaren later brak mijn moeder haar arm. Toen kwam de vrouw van de man met de hond voor haar zorgen.” Inderdaad, precies het soort informele zorg dat de overheid graag promoot. Lekker goedkoop. „Maar die zorg is niet zomaar op afroep beschikbaar. De relatie met de buren is geleidelijk opgebouwd. Door de hond. Zoiets kun je niet opleggen.”

Het is aan die buurvrouw te danken dat haar moeder thuis kon blijven wonen. „Een lieve vrouw van begin zestig. ’s Ochtends kwam ze op de koffie, ’s middags op de thee. Op een goed moment is mijn moeder haar voor haar hulp gaan betalen. „Heel netjes, zo hoefde niemand zich bezwaard te voelen.” Zij ook niet? „Ik ging elk weekend een dag naar haar toe.”

De Thuiszorg haalde moeder uit bed, de buurvrouw hielp haar met eten en stak haar sigaretten op toen ze daar zelf te dement voor werd. Ze overleed, heel rustig, op vrijdagmiddag in haar eigen bed. De buurvrouw was erbij, zij niet. Geen schuldgevoelens? „Mijn moeder heeft altijd voor haar moeder gezorgd. Vanaf mijn tiende woonde oma bij ons in huis. Heel soepel ging dat niet, vooral niet tussen oma en mijn vader.” Oma is 94 geworden. „Mijn moeder heeft altijd tegen mij gezegd: als ik oud ben, hoef jij dit echt niet voor mij te doen.”

Nou kunnen de jongere generaties ook helemaal niet voor al die ouderen zorgen. „Niet omdat ze niet willen, maar omdat er steeds minder jonge mensen zijn.” Tegelijkertijd komt er wel elke twintig jaar een stad zo groot als Eindhoven aan 80-plussers bij. Dorly Deeg pleit voor een andere levensindeling. „Net als Marx. Hoe zei hij het: de mens moet ’s ochtends jagen, ’s middags vissen, ’s avonds veeteelt bedrijven. Oftewel: je moet activiteiten gelijkmatig over het leven verspreiden. Waarom stoppen we met leren na, pakweg, ons 22ste? Waarom doen we daarna alles tegelijk – werken, gezin stichten, zorgen voor ouderen – en stopt de drukte abrupt als we 65 zijn? Laten we een werkweek van twintig uur instellen. Hebben we meer tijd voor mantelzorg en vrijwilligerswerk, zijn we minder snel versleten, en werken we langer door.”

Zij werkt voorlopig nog. Het enige verschil is dat ze nu meer tijd heeft om „ijveriger piano te oefenen” dan ze deed. „We vragen ouderen in ons onderzoek altijd hoe oud ze zich voelen. Niet door een getal te noemen, maar door ze een kruisje te laten tekenen op een horizontale lijn. Soms zetten mensen een kruisje links van het midden. Blijkbaar hebben die het gevoel dat hun leven net is begonnen.” Haar kruisje staat over de helft. Toch is het goed, zegt zij, niet te vroeg te beginnen met je oud voelen. „Simone de Beauvoir schreef in Het afscheid over de laatste tien levensjaren van Sartre. Hij was bijna blind, getroffen door beroertes, gehandicapt door voortschrijdend lichamelijk verval. Maar geestelijk was hij niet uitgeblust. Hij zat vol plannen voor nieuwe boeken, nieuwe projecten. Tot hij op zeker moment meer begon te praten over wat hij had gedaan dan over wat hij nog van plan was. Dat was een keerpunt. De Beauvoir schrijft dat hij begon aan de afronding van zijn leven.”

Dorly Deegs advies zou daarom zijn: begin als je 75 bent gerust aan iets nieuws, investeer in vriendschappen, neem desnoods een hond. „Ga er maar vanuit dat je 90 wordt.”