Griekse geldcrisis stelt EU voor existentiële vragen

Of er dit weekend nu wel of geen einde komt aan het drama van Griekenland en zijn schuldeisers, de EU staat voor een kolossale ‘stresstest’.

Griekenland laat het Europese bouwwerk kraken. Twee toppen van regeringsleiders, vijf extra eurogroepvergaderingen en eindeloos vooroverleg in alle samenstellingen. Zoveel crisisdiplomatie in één week is, ook voor Brussel, uitzonderlijk.

Griekenland en zijn schuldeisers bestookten elkaar met getallen. Over hoge en lage BTW-tarieven. Over belastingschijven. En over de vraag of de nieuwe pensioenleeftijd van 67 jaar moet ingaan in 2022, 2025 of 2036.

Maar het Griekse drama dat nu aan zijn laatste bedrijf bezig lijkt, gaat niet alleen over geld en de vraag wie verantwoordelijk is voor de ravage. Of het dit weekeinde nu wel of niet tot een akkoord komt, deze crisis confronteert de Unie met zeker drie existentiële vragen. Het is, om in jargon te blijven, een stresstest voor de Unie zelf.

1 Is dit het begin van de Europese desintegratie?

Integratie – een Europa waarin landen op steeds meer niveaus met elkaar vervlochten raken – is het gewenste patroon. Decennia lang hebben politici gewerkt aan verdieping en uitbreiding van het Europese project. Een Grexit, een Griekse uittreding uit de euro, komt neer op een breuk. Het idee van het „steeds hechtere verbond tussen de Europese volkeren”, waarover de preambule van het EU-verdrag spreekt, komt dan op losse schroeven te staan.

Die Grexit hing de afgelopen week in de lucht, misschien meer nog dan in 2012, het vorige dieptepunt van de Griekse crisis. Een paar onderdelen die economen vaak noemen van een Grexit-scenario werden realiteit of dreigden het te worden. De sluimerende Griekse bankrun, die al een tijd gaande is, liep zo uit de hand dat de Griekse centrale bank, in samenspraak met de Europese Centrale Bank (ECB) dagelijks de tekorten van de banken aanvulde. Ministers in de eurogroep spraken over kapitaalcontroles. En een default, het in gebreke blijven van Griekenland bij het Internationaal Monetair Fonds (IMF), tekent zich komende week af als er geen akkoord wordt bereikt.

Een combinatie van die factoren kan leiden tot het Griekse afscheid van de euro. Zo’n Grexit hoeft niet meteen te betekenen dat Griekenland ook de EU verlaat. Maar de pro-Europese Grieken die de afgelopen week massaal demonstreerden in Athene zijn daar wel bang voor.

Niemand weet eigenlijk precies wat er zou gebeuren bij een Grexit, zegt de Duitse publicist en Europa-expert Ulrike Guérot. „Onderzoek naar desintegratie laat zien dat zo’n proces zijn eigen dynamiek krijgt. Het idee dat je dat kunt indammen of controleren, is volstrekt absurd”.

Een Grexit zou ook een buitenlands-politieke klap betekenen voor de EU. Juist hier, op de geopolitieke breuklijn tussen de wankele Balkan, de rumoerige Zwarte Zee-regio en het door geweld geteisterde Midden-Oosten, zou „nieuwe instabiliteit” ontstaan, zegt Charles Grant, directeur van het Centre for European Reform, een denktank in Londen. „En de Russen zijn heel slim in het uitbuiten van dit soort situaties.”

Guérot en Grant wijzen naar de leider die zo’n scenario van desintegratie bij uitstek kan, of moet, afwenden. Angela Merkel, al tien jaar bondskanselier van het machtigste land van Europa, is zich terdege bewust van de politieke risico’s van een Grexit. Toen zij vijf jaar geleden de Karelsprijs voor Europese integratie in ontvangst nam, zei Merkel: „Mislukt de euro, dan mislukt niet alleen het geld, dan mislukt er meer, dan mislukt Europa, dan mislukt het idee van de Europese eenwording”.

Merkel wil er veel aan doen om Griekenland in de euro houden, zegt Guérot, evenals Grant goed ingevoerd Berlijnse politieke kringen. „Ze is bang dat een Grexit haar politieke erfenis zal bezoedelen.” Maar op het ministerie van Financiën onder Wolfgang Schäuble wordt daar anders over gedacht, zeggen beide onderzoekers. Grant: „Daar is men bereid de Grieken te laten gaan; het idee is dat er dan een sterkere eurozone over zou blijven”.

2 Kan Brussel wel zaken doen met een ordeverstoorder?

Dat deze week de solidariteit van Europa met Griekenland onder druk kwam te staan kan geen nieuws zijn: dat is al sinds het begin van de Griekse schuldencrisis, alweer meer dan vijf jaar geleden, het geval. Maar er is voor de EU een uitdaging bijgekomen: slaagt zij erin om zaken te doen met een lidstaat die wordt geleid door een anti-establishmentpartij?

De afgelopen crisisjaren heeft een hele schare politieke ordeverstoorders in Europa electorale successen geboekt, van rechts-populisten (Wilders, Le Pen) tot radicaal links (Syriza, het Spaanse Podemos). Alleen Syriza is echt gaan gaan regeren.

En dat was al flink wennen, in Brussel. In januari werd nog gerekend op business as usual: dat de Syriza-leiding geen stropdassen droeg, betekende niet dat er geen snelle deal kon worden gesloten. Maar dat bleek een misrekening. Syriza (letterlijk: ‘Coalitie van Radicaal Links’) is écht anders, zegt Jan Zielonka, hoogleraar Europese Politiek in Oxford. Tsipras en de zijnen verwerpen de heersende economische consensus. „De voorbije jaren hebben alle regeringen in Europa, centrum-links of centrum-rechts, hetzelfde economische paradigma gevolgd: privatisering, deregulering, bezuinigen. Syriza gelooft in een radicaal-links alternatief, hoe onuitgewerkt dit ook is.”

En, misschien nog belangrijker, Syriza zet zich af tegen „de praktijk van regels, de verdragen en de afspraken” die Europa – en zeker de muntunie – tot een geheel maakt. Daarom eiste Tsipras dat hij door de EU-leiders zélf werd gehoord: niet ambtenaren, technocraten of ministers van Financiën moesten beslissen over dit grote vraagstuk, maar politici. En wel de hoogste.

De Duitse filosoof Jürgen Habermas noemde het afgelopen week in een vlammend betoog in de Süddeutsche Zeitung een „schandaal” dat Europa Tsipras’ politieke roep om verandering beantwoordt met technocratische eisen en cijfers. „De politici in Brussel en Berlijn weigeren hun collega’s uit Athene als politici tegemoet te treden. Ze zien er weliswaar als politici uit, maar ze praten alleen in hun economische rol van schuldeisers”.

Of er dit weekend een akkoord komt, is zo bezien ook een test voor de politieke schokbestendigheid van de eurozone, die behalve uit instituties ook uit negentien nationale democratieën bestaat. Is er plek voor politieke nieuwkomers die tegen de consensus ingaan?

3 Hoe lang kan de ECB het werk van de politici doen?

De Griekse crisis brengt ook aan het licht dat in de muntunie de rol van de Europese Centrale Bank steeds doorslaggevender wordt – terwijl de politiek daar achteraan hobbelt.

Dat Griekenland überhaupt nog niet failliet is, is niet aan Brussel of Berlijn te danken, maar aan Frankfurt. In inmiddels dagelijkse conference calls besluit het ECB-bestuur, waarin Klaas Knot en zijn Europese collega’s zitten, bijna elke keer de noodsteun voor Griekse banken op te hogen. Deze steun (al bijna 90 miljard euro) wordt uitgekeerd door de Griekse centrale bank. Maar bij een Grexit moet de ECB er mogelijk voor opdraaien.

Door de onmacht van politici om de crisis te bedwingen, is het wéér aan de ECB om de eurozone op de been te houden. In 2012 beloofde ECB-baas Mario Draghi „al het nodige” te zullen doen om de euro te redden. Ditmaal heeft hij niet zulke grote woorden gebruikt, maar hij handelt wel in dezelfde geest. Hij staat de noodsteun aan Griekenland toe, ondanks de bezwaren van onder meer de Duitse centralebank-president Jens Weidmann, die meent dat het niet aan de ECB is om Griekenland draaiende te houden.

De ECB ontwikkelt zich gestaag tot een lender of last resort, een financiële reddingsboei voor als het misgaat, zoals de Amerikaanse Fed. Het oude model van de Duitse Bundesbank, van een centrale bank die ver van de politiek opereert en alleen aan inflatiebestrijding doet, is passé.

Dat is niet omdat Draghi dat zo graag wil. Hij wil dat de politiek de problemen in de eurozone zelf oplost en niet op hém leunt. Hij pleitte onlangs voor een „grote sprong voorwaarts” in de politieke en economische integratie van de eurozone.

Maar afgelopen week werd ook duidelijk dat zo’n sprong er voorlopig niet komt. Te midden van het Griekse drama bespraken de EU-leiders donderdag een rapport van vijf voorzitters van Europese instellingen over de toekomst van de muntunie. Daarin staat vooral „heel veel níet”, zegt Ulrike Guérot, de Duitse Europa-expert. „Geen eigen budget voor de eurozone, geen Europese minister van Financiën, geen politieke unie, geen sociaal vangnet, geen betere democratische controle.” Met de recent opgetuigde bankenunie lijkt het maximaal haalbare wel bereikt.

Zo brengt de crisis een rolverdeling voort waarin de centrale bank de cruciale stappen zet, terwijl de politiek onderpresteert. Een situatie waar Guérot zich ongemakkelijk bij voelt. Met enige tegenzin haalt ze de rechtse politieke denker Carl Schmitt aan: „Soeverein is hij die beslist in noodsituaties”, zei Schmitt. Dat wordt nu de ECB. In zo’n Europa wil ik niet leven. Het vólk moet soeverein zijn.”