Er is nog steeds veel argwaan in het wielrennen

Erik Breukink, de laatste Nederlandse geletruidrager, verdween in 2012 ineens uit beeld, na zijn tijd als Rabo-ploegleider. „De Tour zou ik nog best eens willen doen.”

Erik Breukink: „De Tour de France is een verslaving, ja.”
Erik Breukink: „De Tour de France is een verslaving, ja.” Foto Robin Utrecht

Voor hem slingeren zijn renners over Brabantse weggetjes door de Ster ZLM Toer, maar in de auto van Roompot Oranje Peloton kan ploegleider Erik Breukink het niet laten. Zijn oog valt op het scherm in het dashboard. „Zie ik Contador op tv in de Route du Sud. Dan ben ik meteen benieuwd: zou hij het voor elkaar krijgen om de Tour te winnen, zou hij na de Giro nog fit genoeg zijn, fris genoeg ook? Hij is diep moeten gaan daar en treft nu Froome, Nibali en Quintana die het heel anders hebben aangepakt. Ik ben er wel een die alles volgt rond de Tour. Ja, het is een verslaving.”

Onvergetelijk is zijn overwinning in 1987 als Tourdebutant in de Pyreneeënrit naar Pau. Als laatste Nederlander droeg hij het geel, nu alweer 26 jaar geleden. Hij won tijdritten, eindigde in 1990 als derde in Parijs. Was pr-man, analyticus bij de NOS, ploegleider bij Rabobank. „Ik heb het 25 jaar onafgebroken gedaan”, peinst Breukink (51) in het teamhotel in Veldhoven. Tot hij na de Tour van 2012 ineens aan de kant werd gezet bij Rabo. Een ‘structuurwijziging’, luidde de reden. Verbitterd? „Het eerst jaar dacht ik nog: ik ga er niet naar kijken, laat maar. Maar als je voor de tv zit en er is wielrennen, kun je het toch niet laten.”

Dit seizoen keerde Breukink terug in het profpeloton. Samen met Michael Boogerd, Jean-Paul van Poppel en Michael Zijlaard zette hij een puur Nederlandse ploeg op van talent en een aantal ervaren renners, net onder het hoogste niveau. Geen Tour de France dus. „Dit is anders dan bij Rabobank maar wel weer heel leuk.”

Het voelt sowieso goed om terug te zijn na een onvrijwillig afscheid, zegt hij. „Het was geen prettige manier om aan de zijkant te belanden. Het was mijn keuze niet, ik stond er nog middenin. Die ploeg was een eenheid, renners en de mensen die er werkten. In die ploeg hebben volgens mij veel mensen het moeilijk gehad.”

Al voordat de Tour van 2012 mede door valpartijen van de kopmannen mislukte, voelde hij zijn einde naderen. „Ik had het thuis al gezegd: als deze Tour niet goed gaat, wordt het een probleem. Of ik er nou iets aan kon doen of niet. Ik zat er al sinds 2004, was ook het meest verantwoordelijk. Pech telt dan op een gegeven moment niet meer. In de voetballerij gaat het niet anders, al is dat een andere wereld. Daar stap je zo over naar een andere club, dat kan in het wielrennen niet.”

Affaire Rasmussen

Meer dan door pech werden zijn laatste jaren als ploegleider overschaduwd door de affaire-Michael Rasmussen, die in 2007 in gewonnen positie door zijn eigen ploeg uit de Tour de France werd gehaald en ontslagen omdat hij in de voorbereiding de dopingcontroleurs had misleid. Met medeweten van de ploegleiding, betoogde de Deen in een proces tegen zijn werkgever, dat hij pas in juni 2013 uiteindelijk verloor. „Dat emmerde veel te lang door”, vindt Breukink. „Omdat je er zelf ook bij was in die jaren, bleef je elke keer met die rechtszaak bezig. Er had veel eerder een streep onder gemoeten. Die zaak lag als een deken over de ploeg, dat heeft al die tijd een grote rol gespeeld.”

Zes weken na het vertrek van Breukink beëindigde de bank voortijdig de wielersponsoring, na de aanhoudende onthullingen over dopingschandalen rond Lance Armstrong en later ook rond de eigen ploeg. „Dat grepen ze aan om eruit te stappen.”

Twee jaar later voelt Breukink zich niet beschadigd. „Het zal wel slijten, denk ik. Die ploeg bestaat ook niet meer. Het werd Blanco, Belkin en nu als Lotto-Jumbo raken ze nog meer af van het stempel Rabobank. Het is een andere ploeg, met veel mensen die ik niet eens ken.”

Maar hijzelf? „De meeste verhalen gaan nu weer over de laatste Nederlandse gele trui”, constateert hij met een milde glimlach. „Dat is wat de tijd doet. Ik kom er wel vanaf. Het is ook geen trauma.”

Dopingperikelen maken voor hem niet de hele Rabo-periode negatief. „Ik heb ook goede jaren meegemaakt. Het was een topploeg met Freire, Mensjov, de Nederlandse kopmannen. We hebben samen genoeg mooie dingen beleefd. In 2012 nog, met de winst van Gesink in de Ronde van Californië. Of de grote rondes, de Giro-overwinning van Mensjov met een ploeg die niet zo sterk leek. Maar we slaagden er wel in de roze trui te verdedigen.”

Mensjov, die later zou worden geschorst wegens afwijkende bloedwaarden? „Zo kijk ik niet terug op het moment dat ik in die Giro was. Dat is meer dan één man die wint, dat is een heel team dat alles geeft voor een topprestatie.”

Bovenop zitten

Natuurlijk doet hij nu bij Roompot dingen anders dan toen. „In die tijd liet je renners vrij, ging er niet bovenop zitten. Nu wel. Ik zal meteen actie ondernemen als ik ook maar enige twijfel heb. Renners moeten ook op voorhand het gevoel hebben: doping speelt niet in ons team. Maar dan moet het ook niet spelen in de wereld waarin ze moeten presteren.” En? „Ik vind het goed zoals het nu gaat, met whereabouts en de vele controles. Een zware opoffering, maar iedereen heeft het er voor over om de sport schoner te krijgen. Het blijft een lastig gevecht. Niet elk land doet hetzelfde, niet overal kijken ze naar de wereld zoals wij. Onze waarheid is niet per se de enige waarheid. Dat maakt het complex, niet alleen in het wielrennen.”

Hij praat zacht maar weloverwogen. Ja, de wielersport worstelt nog steeds met het recente dopingverleden. „Moeilijk. De een wordt nog altijd vereerd als een held, de ander wordt verketterd. Uit dezelfde periode. Dat is niet eerlijk. Je ziet soms dat ze renners met terugwerkende kracht uit de uitslagen schrappen, terwijl anderen blijven staan. Dat werkt niet, ik houd daar niet van. Je geniet op een bepaald moment van een wedstrijd, zoals dit jaar ook weer van de Giro. Wie wordt er beter van als je tien jaar later de uitslag nog gaat veranderen? Het is een pressiemiddel ja. Maar je blijft bezig.” Lachend: „Nu hebben we het er weer over.”

Breukink constateert ze ook, de verdachtmakingen als bijvoorbeeld een aantal renners van de Astanaploeg opvallend goed rijdt in de Giro. „Er is nog veel argwaan. Mensen vinden dat ze meteen moeten roepen als ze alleen al denken dat iets niet goed zit. Alsof ze bang zijn om achteraf het verwijt te krijgen dat ze het niet door hadden. Ik vind dat toch te makkelijk. Als er concrete aanwijzingen zijn, prima. Je moet kritisch kijken. Maar zomaar beschuldigingen uiten? Dan kun je bij elke bijzondere sportprestatie vraagtekens zetten. Ik vind het niet leuk om zo te kijken. Het neemt voor mij de lol van de sport een beetje weg.”

Als liefhebber geniet hij dezer dagen van Tom Dumoulin, die na zijn dubbele tijdritzege in de Ronde van Zwitserland kanshebber is om hem na de openingstijdrit van de Tour in Utrecht op te volgen als Nederlandse geletruidrager. „Hij rijdt geweldig nu, iedereen roept dat hij die trui al bijna heeft. Dat is gevaarlijk, want zekerheid heb je nooit. Ik vind Dumoulin een mooie renner om te zien. Qua stijl, hoe hij op de fiets ziet. De klasse straalt er van af. En hij heeft dit jaar laten zien dat hij specialisten als Martin en Cancellara kan kloppen. Geleidelijk is hij uitgegroeid tot een van de beste tijdrijders in de wereld.”

Debutant Wilco Kelderman, vorig jaar zevende in de Giro en vaak vergeleken met de jonge Breukink? „Een groot talent, kan op alle terreinen mee. Maar je ziet vaak dat de laatste stappen naar de echte top het moeilijkst zijn. Het is niet vanzelfsprekend dat de lijn blijft stijgen.”

Zelf dacht hij na zijn derde plaats van 1990 ook dat de Tourzege nog wel zou komen. „Maar mijn ploeggenoot Gerrie Knetemann zei toen al: ‘geniet er maar van, misschien was dit je beste Tour’. Hij kreeg gelijk.”

Als ploegleider maakte hij van dichtbij mee hoe Robert Gesink als een komeet opkwam. In de Tour van 2010 eindigde het toen 24-jarige talent op de vijfde plaats, na het schrappen van Contador staat hij zelfs als vierde in de boeken. Een klassering die de huidige kopman van Lotto-Jumbo nooit meer benaderde. „De frisheid van het begin van zijn carrière mis je een beetje. Het is nu meer vechten.”

Weinig renners kampten met zoveel tegenslag als Gesink, van valpartijen tot het overlijden van zijn vader en complicaties bij de geboorte van een zoon. Er was een operatie aan hartritmestoornissen. „Wij hebben meegemaakt dat het opspeelde”, kijkt Breukink terug. „Ik zou daar zelf van schrikken, hij bleef er vrij koel onder. Misschien uit zelfbescherming. Je gaat met zoiets niet te koop lopen. In 2012 had hij last bij het NK, we durfden toen eigenlijk niet te beslissen of hij naar de Tour mocht. Zelf wilde hij per se. Dat tekent hem. Sinds die operatie is hij eroverheen. Ik hoop dat hij fris aan de Tour kan beginnen.”

Bij Rabo werkte hij ook nauw samen met Bauke Mollema, afgelopen twee jaar zesde en tiende in de Tour en na zijn overstap naar Trek sterk in het afgelopen voorjaar. „Ik weet niet of hij zoveel is verbeterd”, nuanceert Breukink. „In de Ronde van Spanje werd hij in 2011 ook al vierde en won hij de puntentrui. Toen was hij zo goed. Mollema kan echt bijzonder goede dagen hebben en kort eindigen. Maar in een ronde van drie weken heeft hij ook altijd wel iets kwetsbaars. Dat is zijn gestel. Na een zware val in het Baskenland zat hij in de Dauphiné ook met wat probleempjes. Maar hij is een taaie, kan afzien als geen ander.”

Zelf zal Breukink erbij zijn rond de start in Utrecht en het spektakel daarna op tv volgen. Misschien wel vanuit de ploegleidersauto, in de Ronde van Oostenrijk. „Ik heb niet het gevoel dat ik per se in de Tour moet zijn. Het is ook leuk om op dit niveau te werken met jonge renners, om te zien dat de mensen kansen grijpen en dat de ploeg goed gaat. De druk is minder groot nu, in die zin mis ik het niet.”

Of hij ooit nog terugkeert in de Tour? „Ik zou het best nog eens willen doen, maar we hebben met Roompot niet het concept om de eerste twee jaar direct door te groeien naar het hoogste niveau. Eerst maar eens kijken of we dit continuïteit kunnen geven. Al weet je het nooit.”

Als hij één kopman mocht kiezen? „Dan nam ik Tom Dumoulin. Wij zijn ook met jongeren bezig, tijdrijden is toch een beetje mijn ding. Hij heeft misschien minder kans om top 10 te rijden, maar de tijdritten kan hij winnen. Dat spreekt mij het meeste aan.”