Eerst woorden, maar dan ook daden

Maar liefst vijf keer maakten bestuurders afgelopen week in het openbaar hun excuus. Klinkt simpel, maar: de timing moet goed zijn, de intonatie moet kloppen, de woorden moeten overtuigen.

foto's anp

Sorry zeggen, spijt betuigen, verontschuldigingen aanbieden, berouw tonen, de gang van zaken betreuren. Excuses maken kan in het openbaar bestuur op allerlei manieren en afgelopen week gebeurde het opvallend vaak: vijf keer.

Werkgeversvoorman Hans de Boer en ProRail-baas Pier Eringa deden het, net als de ministers Jeanine Hennis-Plasschaert (Defensie) en Ard van der Steur (Veiligheid en Justitie) en de baas van het Openbaar Ministerie, Herman Bolhaar. Vijf soorten excuses en de achterliggende motieven.

De voorkom-grotere- schade-excuses

Deze persoonlijke excuses maken politici of publieke figuren om verdere imagoschade te voorkomen. Schoolvoorbeeld waren deze week de excuses van Hans de Boer naar aanleiding van uitspraken in de Volkskrant over mensen met een bijstandsuitkering. Dat zijn „labbekakken” die werk moeten zoeken, vond hij.

Na een halve dag woeste reacties van vakbonden en politici, van links tot rechts, was overduidelijk: deze uitspraak kán niet. „Grotere schade is dan alleen te voorkomen door niet meer te verdedigen, maar meteen excuses te maken”, zegt hoogleraar bestuurskunde Paul ’t Hart. „Go hard and go fast.” Langer wachten wakkert de woede alleen maar verder aan en maakt de excuses minder geloofwaardig.

Ook ProRail-topman Pier Eringa moest deze week door het stof na een boude uitspraak. Als hij na een suïcide tijdens de spits een sms’je krijgt, zei hij op een spoorbijeenkomst, denkt hij: „Verdorie, waarom niet een minder druk tijdstip uitgekozen?” In zijn verklaring, dezelfde dag nog, liet Eringa vervolgens weten: „Ik wilde niemand kwetsen.” Deze opmerking valt in de subcategorie ‘ambigu excuus’: het klínkt als een verontschuldiging, maar is dat feitelijk niet.

De indirecte excuses

Ook hier gaf werkgeversvoorzitter Hans de Boer het voorbeeld. Hij betreurde niet direct zijn eigen uitspraken, maar alleen „de commotie die is ontstaan”, zei De Boer in zijn verklaring. En: „Het spijt me oprecht als ik mensen heb gekwetst.” Dat is een indirect excuus, want hij stelt hiermee niet feitelijk vast dát hij mensen voor het hoofd heeft gestoten.

Hoewel De Boer vermoedelijk geen rechtzaak aan zijn broek had gekregen voor zijn opmerking, wordt het afgeleide excuus wel vaak gebruikt uit angst voor juridische consequenties. Als je je ergens voor excuseert, erken je immers dat het gebeurd is. „In de beeldvorming is het aanbieden van excuses direct gekoppeld aan reparatie of herstelbetalingen”, zegt hoogleraar ’t Hart.

Uit onderzoek blijkt juist het tegenovergestelde: als verontschuldigingen uitblijven, zijn burgers méér op financiële claims gericht. Geen excuses? Dan maar een schadevergoeding. Een goedgemikt excuus van de overheid kan dus juist claims voorkomen.

De systeemexcuses

Bij systeemexcuses gaat het niet om een persoonlijk spijtbetuiging, maar om de ministeriële verantwoordelijkheid van een bewindspersoon voor alle fouten die in het verleden op zijn of haar departement zijn gemaakt. Deze week maakte minister Jeanine Hennis-Plasschaert (Defensie, VVD) bekend dat ze heeft geschikt met de nabestaanden van twee Srebrenica-slachtoffers. Vorig jaar voerde ze gesprekken met de nabestaanden, „waarin excuses zijn aangeboden”, aldus haar ministerie.

Let wel op de reikwijdte van Hennis’ spijtbetuiging: ze heeft geen sorry gezegd tegen de nabestaanden van álle Srebrenica-slachtoffers, noch voor de Nederlandse rol bij de massamoord in de Bosnische enclave. Daar komt de angst voor aansprakelijkheid weer om de hoek kijken.

Ander schoolvoorbeeld in deze categorie: de excuses die minister Henk Kamp (Economische Zaken, VVD) in maart in Groningen aanbood voor de gevolgen van de gaswinning. Kamp „erkent en betreurt dat er in het verleden te weinig aandacht is geweest voor de veiligheid van de Groningers”.

De anders-red-ik-het- niet-excuses

Excuses van bewindslieden zijn soms noodzakelijk om hun aftreden te voorkómen. Minister Ronald Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) betuigde vorig jaar spijt over zijn verkeerde uitlatingen rond het NSA-afluisterschandaal. Hij had op televisie beweerd dat de Amerikaanse inlichtingendienst 1,8 miljoen Nederlandse telefoondata zou hebben afgetapt, terwijl Nederland die zelf had doorgegeven. Het was duidelijk dat Plasterk een cruciaal Kamerdebat niet zou overleven zonder zijn nederige excuses aan te bieden. Uiteindelijk mocht hij blijven.

Is daarmee het bestaan van een politieke excuuscultuur bewezen? SP’er Jan Marijnissen sprak eind jaren negentig voor het eerst van de „sorrydemocratie”: de gewoonte van bewindslieden om ernstige fouten af te doen met excuses om vervolgens gewoon op hun post te blijven zitten.

Dat is niet per se erger geworden, zegt hoogleraar ‘t Hart. Hoe zwaar een fout is en of een bewindspersoon daar al of niet excuses voor maakt, is helemaal geen doorslaggevende factor voor zijn aanblijven of opstappen. „Hoe ligt iemand binnen de coalitie, hoe groot is zijn gezag in Den Haag en heeft hij al eerder fouten gemaakt? Dat soort zaken zijn minstens zo relevant.” Kijk naar oud-staatssecretaris Frans Weekers (Financiën, VVD). Die werkte zichzelf zo in de nesten rond de ‘Bulgarenfraude’ dat excuses hem meer konden redden. Het politieke vertrouwen was weg.

De gemeende excuses

Welk motief er ook aan ten grondslag ligt om publiekelijk excuses te maken: een spijtbetuiging is alleen wat waard als die gemeend overkomt. De timing moet goed zijn, de intonatie moet kloppen, de woorden moeten overtuigen. En, zegt Paul ’t Hart: „De daden die volgen op de excuses, moeten ook geloofwaardig zijn. De excuses moeten geen moreel lege handeling blijken.”

Het debat dat de Tweede Kamer komende dinsdag met minister Ard van der Steur (Veiligheid en Justitie, VVD) heeft over de gemaakte fouten rond de moord op oud-minister Els Borst, vorig jaar, draagt hier de potentie van een goed voorbeeld van sorry zeggen én adequaat optreden.

Van der Steur zit pas vier maanden op zijn post en was nog geen minister toen het OM de fouten maakte in de zaak-Borst. Coalitiepartijen VVD en PvdA denken er dus niet aan om hem weg te sturen. Maar hij moet, om zijn excuses van afgelopen week geloofwaardig te laten zijn, de Tweede Kamer wél laten zien wat hij eraan zal doen om dit soort fouten in de toekomst te voorkomen.