Duin

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week een fragment uit het kinderboek Hotel De Grote L van Sjoerd Kuyper, dat deze week werd bekroond met een Zilveren Griffel.

Zondag 12 mei. Het begon echt perfect vanochtend. Het leek wel zomer. Dan ben je blij dat je aan zee woont, zo fris was alles. Met nog dauwdruppels op het helmgras en op de stoelen op het terras en de zon die dan groot uit het land klimt en dat je op je eigen balkon kan staan en zwaaien en dat je schaduw op het strand naar jou zwaait. De lucht tintelt op je huid. De hemel helemaal schoon blauw en het strand nog leeg. Alleen de zee die daar rustig adem ligt te halen en je weet dat dat nooit ophoudt. Nou ja. Zoiets.

Ik was vroeg opgestaan en had meteen m’n voetbalkleren aangetrokken. Na de wedstrijd moest ik toch douchen dus dat hoefde nu niet. Mijn vader was nog eerder op dan ik. Hij stond hoog op een ladder tegen de voorgevel en was fluitend bezig de naam van ons hotel te veranderen. Dat was hij al van plan toen mama net dood was maar het was er nooit van gekomen. Zo’n dag was het: om grote plannen uit te voeren. Om kampioen te worden. Om verliefd te worden. Om je naam met een spuitbus op de maan te zetten. De letters van de oude naam, van ons hotel dus, stonden op de grond, Zeezicht, en mijn vader had al zes nieuwe opgehangen. Hotel De Grot stond er nu. Ook geen slechte naam.

Ik mocht hem niet helpen, ik mag hem nooit helpen, we moeten een onbezorgde jeugd hebben, dus ging ik inschieten op het doel aan de zijkant. De noppen van mijn schoenen kletterden lekker op de tegels. Ik schoot er drie achter elkaar vlijmscherp in de bovenhoek. Aan mij zou het niet liggen. Maar toen ik de vierde hoog over schoot, werd ik zenuwachtig. Het was tijd om te gaan. Als je te vroeg weggaat, kom je bijna nooit te laat. Maar mijn vader wilde per se nog alle letters ophangen. Hij heeft het altijd druk, het zweet breekt je uit als je hem ziet rondrennen. Hij moest er nog vijf. Zoveel tijd hadden we niet meer. Hij hing net de l op z’n plek: Hotel De Grote L. Ook fijn.

Toen was het of de dag pas echt openging. Van alle kanten kwamen mensen. Alsof de nacht openging bedoel ik, alsof ze het deksel van de nacht hadden gehaald.

Felix was als altijd de eerste met zijn mooie kleertjes en zijn dure schoenen en zijn haar stijf van de gel. Door al die deftigheid ziet hij er veel ouder uit dan hij is, hij is pas vijfentwintig of zo. Hij geurde een hele lente bij elkaar. Mijn vader riep naar beneden dat hij vandaag zelf maar koffie moest zetten omdat wij allemaal naar de wedstrijd gingen. Omdat het mijn grote dag was.

Felix gaf me een boks en liep naar binnen. Toen begon Briek te zingen in haar kamer. Haar raam was dicht maar je kon haar goed horen. Ze beukte op mama’s gitaar en zong haar leukste liedje. Kos begint te zingen. Ha!

‘En Sneeuwwitje had de blues,

en Sneeuwwitje had de blues,

en ze lag daar in haar kist van glas

en dacht aan hoe alleen ze was.

Sneeuwwitje had de blues.

En Sneeuwwitje had de blues,

en Sneeuwwitje had de blues,

en ze wachtte op een jongen

die die appel weg kon tongen.

Sneeuwwitje had de blues.’

Ik hoor het altijd graag, ik weet niet waarom, het hoort bij Briek en haar gothic kop. Ik riep Pel, maar die hoorde me niet. Omdat Briek zo hard aan het zingen was. De tijd begon echt te dringen. Een oude auto kwam de duin op kruipen. Volgens mij was het een Lada. Klinkt gek maar het klopt. Alle duinen bij elkaar zijn het duin en één duin is de duin. Je kunt dus gaan wandelen in het duin maar het hotel van Kos staat op de duin vlak aan zee. Ik heb het opgezocht. Hij stopte voor het hotel. Die Lada dus. Er sprong een kwaaie vrouw naar buiten die met grote passen naar de ingang liep. Toen kwam Walput opeens ook uit die Lada. In z’n lange leren jas. Z’n grijze paardenstaart wapperde in de wind. Die vrouw was de dochter van Walput, ik had haar al eens eerder gezien. Mijn vader riep vrolijk naar Walput, vanaf zijn ladder. Stom, want toen zag die dochter hem. ‘Ik moet u spreken. Nu!’ Ze heeft zo’n stem waar kleine dieren van doodgaan als ze die horen. Toen kwamen de twee lesbo’s naar buiten en vroegen of ze fietsen konden huren en ik zei dat ik ze wel even uit het hok zou halen maar dat vond mijn vader niet goed. Hij klauterde naar beneden. ‘Kinderen moeten niet werken, die moeten lol hebben.’ Dat bedoel ik. De dochter van Walput greep zijn arm maar mijn vader rukte zich los en liep naar het fietsenhok. Ik riep Pel nog een keer. Ze hoorde me niet dus ik klom de ladder op.

Ik bonkte op haar raam en ze deed zo snel open dat ik van schrik bijna naar beneden donderde. Pel was weer eens helemaal in mama. Ze had mama’s jurk aan als pyjama en ze draaide mama’s liedje voor ons. Kos zingt weer!

‘Er waren eens vier biggetjes,

die gingen in het bad.

En weet je wat het gekke was?

Dat er maar één, één biggetje…

een pie-pa-piemel had.’

Ik zei dat ze een beetje op moest schieten en vroeg of Briek en Libbie al klaar waren. Dat we over vijf minuten echt weg moesten. Maar ik had het kunnen weten, mijn zussen gingen niet mee. ‘Briek is somber,’ zei Pel, ‘en Libbie moet leren.’ Ze liep naar de foto van mama die naast haar bed staat. Ik zag voor het eerst dat mama op die foto de jurk aanheeft die Pel nu als pyjama gebruikt. ‘Kos gaat vandaag kampioen worden,’ zei Pel. Ze luisterde even naar de foto en knikte en kwam terug naar het raam. ‘Mama denkt dat je vandaag tien doelpunten gaat maken.’ ‘Drie,’ zei ik. En toen zei Pel: ‘Ik moet ook leren en ik ben ook somber.’ En ze trok het raam zo snel dicht dat ik weer bijna van de ladder viel.