Acteren is ook gewoon de boel bedonderen

Hans Kesting (54), Richard III in Kings of War, ontving een week geleden uit handen van Gijs Scholten van Aschat de Albert van Dalsumring, die toneelspelers doorgeven aan elkaar. „Ik vind het mooi als het publiek toch met zo’n slechterik te doen krijgt.”

Foto: Andreas Terlaak
Foto: Andreas Terlaak

Albert van Dalsumring

„Kijk, dit is hem. Hij past om mijn pink. Het is goud met maansteen en dit hier zijn diamantjes, denk ik? Het is een prijs met een illustere geschiedenis, en dat maakt hem bijzonder. Ik was totaal overdonderd. Na de uitreiking las ik op internet over de historie: Albert van Dalsum, Paul Steenbergen en Ko van Dijk hebben hem gedragen. En dan zie je opeens je eigen naam daarbij – bij Wikipedia zijn ze zó snel. Dat is een verbijsterend gezicht, ik kon het gewoon niet geloven. Hij is niet per se mooi, maar hij heeft de uitstraling van zo’n Amerikaanse fraternity-ring. En dat is het ook een beetje: een bijzondere broederschap. Ik hou van dat soort tradities; die hebben we te weinig in het toneel. Toen Peter Oosthoek hem aan Pierre Bokma gaf, daar was ik bij, besefte ik al: dit is een historisch moment. En nu was ik zélf het historische moment. Het is een enorme boost voor je zelfvertrouwen, maar ik ga nu natuurlijk niet achterover leunen. Het is heus niet opeens: kijk, daar komt de Albert van Dalsumring het toneel op.”

Tv-mislukking

„Het is een nieuw hoogtepunt in mijn carrière, absoluut. Zoals het spelen van Richard III in Kings of War dat ook is. Een jaar of tien, twaalf geleden was er voor mij een ommezwaai. Daarvoor was ik altijd heel onrustig en wilde ik toneel en televisie combineren. Maar toen ik me een paar jaar volledig op tv richtte, ontdekte ik dat ik dat helemaal niet leuk vond en ook echt niet kon. Ik schaam me er totaal niet voor om dat toe te geven. Nee, ik schaamde me als ik zag dat het mislukt was. Ik durfde de straat niet op, uit angst voor het oordeel van bekenden, en zat onder de eczeem van de zenuwen. Zelfs mijn ouders, die onvoorwaardelijk alles mooi vonden, zeiden: ‘Hans, hou er in godsnaam mee op’. Op pad gaan, reportages, dat vond ik leuk. Maar in zo’n studio met livepubliek en een autocue, dat kon ik gewoon niet, klaar. Na dat inzicht was die onrust uit mijn lijf. Terug bij Toneelgroep Amsterdam voelde letterlijk als thuiskomen. Toen kwam Othello langs, en dat zette me weer op de kaart. Die rol gaf mij vertrouwen: dit kan ik echt. En sindsdien is het een duidelijke zaak: toneel is mijn ware biotoop.”

Intimiderend

„Vroeger kon ik bij repetities wel eens uit m’n vel springen, zo van: godverdomme, wat doe jij nou! Noem het temperamentvol. Hartstochtelijk. Ik heb wel eens gemerkt, omdat ik een grote man ben met een luide stem, dat dat explosieve intimiderend kan zijn. Dat hoor je dan van goeie vrienden terug. Maar het is behoorlijk afgezwakt; ik ben een stuk rustiger geworden. Ik kan nog wel unverfroren kritiek geven, en dat verlang ik van anderen ook. Praatjes voor de vaak ophangen, daar heeft niemand iets aan.”

Grote man

„Othello, Richard III; zulke rollen zijn – vreselijke uitdrukking – de krenten in de pap. Die wil ik spelen, daarvoor ben ik aan het toneel gegaan! Vaak wordt Richard III voluit als schurk gespeeld, ik probeer hem complexer en menselijker te maken. Het helpt dat hij tegen zijn spiegelbeeld praat, niet naar de zaal, dat maakt hem contemplatief en eenzaam, minder de berekenende snoodaard. En als ik die beroemde slotzin uitspreek – ‘Een paard, een paard, mijn koninkrijk voor een paard!’ – galoppeer ik rondjes over het toneel. Het is een combinatie van kinderspel en bevrijding, vreugde, die ontspoort in waanzin, waarna ik afstorm en sterf. Tegenwoordig vind ik de sleutel tot mijn spel steeds vaker in kwetsbaarheid – dat het publiek toch met zo’n slechterik te doen krijgt, dat vind ik mooi. Ik ben vaak een macho genoemd – ik heb die lengte, dat lijf, een zware stem, er komt gewoon een grote man oplopen, dat valt niet te ontkennen. Maar inmiddels vind ik het spannend en interessant om bij die grote sterke man de kwetsbaarheid op te zoeken. En dat loont: het maakt mijn spel rijker.”

Rotterdams straatjongetje

„Ik kom uit een heel normaal Rotterdams gezin, mijn vader was automatiseerder, mijn moeder huisvrouw. Ik was een echt Rotterdams straatjongetje en toch heb ik altijd geweten dat ik iets met toneel wilde. Ik ontdekte al vroeg dat ik goed kon voorlezen, dat mensen dan luisterden. En ik kon entertainen. Op de lagere school verzon ik shows op vrijdagmiddag, die draaide ik helemaal zelf in elkaar. Mijn ouders namen me mee naar Snip & Snap, mijn oma naar het Hofpleintheater. Op de toneelacademie Maastricht moest ik van mijn Rotterdamse accent afkomen. We kregen elke dag stemlessen: ‘Daar staat in de duinen een oude kromgegroeide zeepijn’. „Sjeepain, Hans? Nee, zee-pijn”, iedere dag hetzelfde, vijf dagen per week. En thuis, monomaan, opnemen, terugluisteren. Je moet bij een acteur niet horen waar hij vandaan komt, dat stoort. Dus dat heb ik afgeleerd.”

Vijf p’s

„Praten over acteren vind ik moeilijk. Wat moet je daarover zeggen? Ontspanning is belangrijk, want alle goeie dingen gebeuren in ontspanning. Acteren heeft niet te maken met echt voelen, terwijl er wel wezenlijk gevoel inzit. Maar het is ook gewoon de boel bedonderen, daar lol in hebben en het zo goed mogelijk willen doen. Speldocent Dora van der Groen zei dat een goeie acteur de vijf p’s moest hebben: persoonlijkheid, pijn, plezier, poëzie en perversie. Daar snap ik wel iets van. Maar meestal denk ik toch: laten we er niet te lang over praten, maar gewoon lekker doen. Dat is misschien wel een restje Rotterdam: niet lullen maar poetsen.”

Wees

„Mijn broer woont er nog. Mijn ouders zijn allebei overleden, mijn moeder in 2002 en mijn vader in 2005. Dicht op elkaar helaas. Ja, dat was een zuur lot; op mijn 45ste was ik wees. Zij had alvleesklierkanker en hij longkanker, terwijl hij altijd heel gezond heeft geleefd. Hij hoorde het in juli, en in december was hij totaal weggevaagd, die grote sterke man. Ik had een hele goeie band met ze. Thuis kon ik echt nog kind zijn, tegen mijn moeder aankruipen, dat was vanzelfsprekend. Ze waren ongelofelijk begaan met wat ik deed, mijn vader hield plakboeken bij. Het was de veiligste plek die ik kende. Als dat wegvalt, word je op jezelf teruggeworpen. Het rottigste gevoel is dat je geen kind van iemand meer bent. Dan worden die paar goeie vrienden nog belangrijker. Ik had het geluk dat ik een jaar na de dood van mijn vader mijn man Marcio ontmoette, die een ontzettend grote liefde werd en is. Dat kwam ervoor in de plaats. Maar ik vind het wel heel erg dat ze hem nooit hebben ontmoet. Bij zo’n uitreiking wil ik zo graag dat ze het toch meemaken, ergens vanaf een wolk. Kinderachtig. En stiekem geloof ik het toch.”

Seropositief

„Sinds 1996 weet ik dat ik seropositief ben, maar ik slik pillen en dat is onder controle. Elke drie maanden ga ik naar de internist; mijn T-cellen zijn hoog en het virus is niet traceerbaar in mijn lijf. Ik heb geluk gehad en ik ben dankbaar dat mijn lichaam zich zo goed houdt. Maar natuurlijk zou ik liever die pillen niet slikken, en liever niet seropositief zijn. Ik heb een onverstandige daad gedaan en iets opgelopen dat ik nooit meer kwijtraak. Toen ik het hoorde gaf dat gek genoeg wel een soort rust. Ik was altijd bang om iets te krijgen en nu wist ik het tenminste. Als ik me al zorgen maak dan is het of mijn lever het wel volhoudt. Ik slik die hiv-medicijnen, aspirine – ik heb vaak last van hoofdpijn, en neem geregeld een slaaptablet. Nu moet ik ook nog een antibioticakuur volgen, dus dat zijn best veel pillen. Maar mijn leverwaarden zijn goed. Ik denk niet, elke keer als ik een griepje heb: o jee, nu tuimelen mijn T-cellen omlaag. Zo zit ik gewoon niet in elkaar. Ik ga vier keer per week naar de sportschool, rennen, roeien, fietsen. Maar ik ben zeker geen health freak geworden; je moet wel leven, dat zegt zelfs de internist ook.”