Aanval op de flank

Pieter Steinz heeft ALS, een zeldzame neurologische ziekte waarbij je in toenemend tempo verlamd raakt. In deze serie verbindt hij het verloop van zijn ziekte met de boeken die hij (her)leest. Vandaag: pijn.

Deze week was het twee jaar geleden dat ik de diagnose kreeg. Een markeringsmoment voor elke ALS-patiënt, want die krijgt doorgaans van zijn neuroloog te horen dat de gemiddelde levensverwachting twee tot drie jaar is – de eerste mijlpaal is dus bereikt.

Maar net als vorig jaar vierde ik deze aparte verjaardag in het ziekenhuis en heb ik betwijfeld of ik daar nog levend uit zou komen. De reden was pijn. Twee keer was ik op een vroege dinsdagochtend overvallen door een verzengende pijn in mijn linkerflank, die ik ternauwernood het hoofd had kunnen bieden met wonderdruppels die ik aan mijn vorige ziekenhuisverblijf had overgehouden. Maar de volgende woensdagochtend was het anders: ik bevocht de pijn, en de pijn won. Zelfs de morfine-injecties van de huisarts, twee uur na de eerste scheuten, hadden nauwelijks effect. Per ambulance werd ik naar de Eerste Hulp vervoerd, waarna ik terechtkwam op de afdeling Maag-Darm-Lever. De artsen hielden het op een darmverstopping, die geloodgieterd moest worden met darmspoelingen, diepteklysma's en dunne canules (‘schoorsteentjes’) die het gas in het maagdarmkanaal als het ware affakkelen. De goede zorgen hielden de pijn niet op een afstand. Binnen vier dagen kreeg ik drie keer een aanval die pas na een paar uur kon worden afgestopt. Ik voelde me als Prometheus in de door de toneelschrijver Aeschylus verwerkte Griekse mythe: gestraft door Zeus zat hij vastgeketend aan een rots en kreeg hij dagelijks een adelaar op bezoek die zich tegoed deed aan zijn lever, die pervers genoeg iedere nacht weer aangroeide. Aeschylus’ Prometheus maakt er niet zoveel woorden aan vuil, hij hoopt nog op een verzoening met de oppergod, van wie hij het vuur heeft gestolen ten behoeve van de mens; maar de titelheld van Perce Bysshe Shelley's bewerking Prometheus Unbound (1820) des te meer. ‘Ah me!’ roept hij uit nadat hij zijn folteringen heeft opgesomd; ‘alas, pain, pain ever, for ever! No change, no pause, no hope! Yet I endure.

Het vooruitzicht van terugkerende hevige pijn is wanhoopgevend. Prometheus droeg zijn lot manmoedig, maar hij was dan ook een titanenzoon; zelf dacht ik alleen nog maar aan de goede dood. En aan de legendarische uitspraak van mijn eerste revalidatiearts dat het voordeel van ALS is dat de patiënt geen pijn lijdt. En aan een ander klassiek verhaal, dat letterlijk het enige was dat ik in zeven dagen ziekenhuis zou lezen: Asterix bij de Helvetiërs van René Goscinny en Albert Uderzo. Een briljante strip, waarin Asterix en Obelix naar Helvetia reizen om edelweiss te vinden voor een medicijn waarmee een bevriende Romein genezen moet worden. In de tweede scène van het album hebben we gezien hoe deze Claudius Centus (in het Franse origineel toepasselijk Malosinus, ‘holtepijn’, geheten) als belastinginspecteur bij een corrupte, felliniaanse gouverneur is langsgegaan en is vergiftigd met een kom dubieuze groentesoep.

Centus’ deplorabele toestand is door Uderzo memorabel verbeeld. Krimpend van pijn, met een groen uitgeslagen gezicht, draait hij zich heen en weer op zijn Romeinse slaapbank (‘Aaaaah! Ik heb zo’n pijn… Ik ga dood! Oeaah!’), terwijl een legertje doktoren machteloos om zijn bed dromt en loze remedies suggereert: ‘’n Aderlating! […] ’n Mengsel van fijngestampt ivoor, schildpadden- en duivenbloed’. Vlak voordat hij zijn adjudant vraagt om de druïde van de onoverwinnelijke Galliërs te hulp te roepen, is het felgroen lichtgroen geworden en loopt het zweet over zijn gezicht. Aansprekend detail: op een van de plaatjes grijpt Centus naar zijn linkerzij, waar kennelijk de haard van de pijn zit. Dat laatste zag ik trouwens pas later, toen ik het Asterix-album naar het ziekenhuis had laten brengen. Tijdens de pijnaanvallen was het ‘t groene gezicht dat ik voor me zag – en de woorden van Prometheus die een mantra werden: ‘No change, no pause, no hope. Yet I endure’. Het lukte namelijk niet om aan de oorzaak iets te doen; de blokkade bleef, volgens de dokters mede doordat de enige effectieve pijnstiller, morfine, de darmen lam legt. Maar zoals er verandering, rust en hoop voor Prometheus was – hij werd uiteindelijk door Herakles van zijn bergtop op de Kaukasus bevrijd – zo was die er ook voor mij. De hevigste pijnen hielden even onverwachts op als ze waren begonnen, de schoorsteentjes deden hun heilzame werk, en na zeven dagen mocht ik het ziekenhuis verlaten. Verzwakt, nog meer vermagerd en aan een verstelbaar bed op de begane grond gekluisterd, maar at home, sweet home. Het is zaak de darmen goed te spoelen en de paracetamolspiegel op peil te houden; voor beginnende pijnen is er naproxine en voor de hoogoplopende een morfinepreparaat.

En Claudius Centus? Hij had na dagenlang lijden baat bij het alpiene equivalent van de papaver dat Asterix en Obelix uit Helvetia hebben gehaald. Op de laatste bladzij van het album drinkt hij het edelweissaftreksel en verkoopt hij zijn Romeinse kwelgeest gallisch een oplawaai. De felle rode kleur van zijn gezicht is dan van opwinding, niet van pijn. En bij hoge uitzondering mag hij aanzitten bij het traditionele feestmaal met wijn, trijn en everzwijn dat elk Asterix-album besluit. Om jaloers van te worden.