Wat zijn wij toch voor egoïsten in de liefde?

Hoe onberekenbaar is de mens zodra er liefde in het spel is. En hoe onaangenaam kan hij dan zijn. Dat blijkt weer eens uit deze herontdekte, korte roman, waarin zowel de man als de vrouw voor zichzelf kiest.

Aan de bar in New York’s Little Club in de jaren vijftig
Aan de bar in New York’s Little Club in de jaren vijftig Foto Corbis

Zo begint het: een man zit in een hotelbar en vertelt aan een jonge vrouw het verhaal van een vorige, wanhopige liefde. En zo eindigt het: als de man zijn verhaal heeft gedaan, verlaat hij samen met de jonge vrouw de hotelbar – en na alles wat hij heeft verteld weet de lezer dat hij aan zijn vólgende mislukte liefdesavontuur gaat beginnen.

Als schrijver was Alfred Hayes (1911-1985) vrijwel vergeten, maar nadat een paar jaar geleden zijn korte roman In Love (1953) in de Verenigde Staten werd heruitgegeven, staat hij weer volop in de belangstelling. Nu is de Nederlandse vertaling verschenen, De prijs van de liefde.

Het gaat inderdaad over liefde, maar dan over liefde als wanhoop en afgrond. De naamloze verteller, een schrijver die tegen de veertig loopt, vertelt in die hotelbar over zijn relatie met een vrouw van begin twintig, die uit een inmiddels beëindigd huwelijk een dochtertje heeft overgehouden dat bij haar ouders woont.

Het speelt zich allemaal af in New York. Mensen wonen in kleine huurappartementjes of goedkope hotelkamers, de stad is groot en onpersoonlijk, ‘geen stad, maar een reusachtig apparaat, een machine ter grootte van een eiland, roestend onder de duistere hemel’ – en de liefde biedt ook al niet veel troost.

We zijn allemaal egoïsten in de liefde, lijkt Hayes’ boodschap. De relatie begint verraderlijk achteloos, voor de verteller althans. Hij heeft precies wat hij wil, een jongere, niet-intellectuele vrouw om mee uit te gaan en om mee te slapen, een ‘idylle, die geen serieuze bedreiging voor mijn leven vormde en me niet stoorde in mijn werk, die de leegte van mijn lange avonden en de pijn van mijn eenzaamheid verzachtte’.

Aanbidders

Maar hij is niet de enige met een eigen agenda. De jonge vrouw (die net als de verteller naamloos blijft) heeft meer aanbidders, en één van hen, de saaie, maar rijke zakenman Howard, biedt haar duizend dollar voor een nacht. Beledigd wijst ze het aanbod af, maar ze krijgt toch wat met hem. Ze moet aan haar toekomst denken, en aan haar dochtertje – wat voor toekomst biedt een arme schrijver van veertig?

Die arme schrijver mist haar erger dan hij ooit van haar gehouden heeft. Zijn vertwijfeling wordt door Hayes erg herkenbaar beschreven – dat mengsel van liefde, haat en egoïstisch zelfmedelijden waarvoor je je schaamt wanneer je later aan zo’n episode terugdenkt, maar dat op dat moment echter dan echt is, en niet vatbaar voor relativering.

Er volgt een verzoening, waarna de verteller de vrouw meeneemt naar de kust van New Jersey, waaraan hij goede herinneringen heeft. Maar toen was het zomer, nu is het herfst. Alle attracties zijn gesloten, alle hotels gesloten of leeg, de verzoening loopt uit op een debacle, het is alsof de twee geliefden het hiernamaals van hun eigen relatie bezoeken. En achteraf (wanneer de vrouw weer terug is bij haar rijke zakenman) knaagt bij de verteller het vermoeden dat hij zelf op deze mislukking heeft aangestuurd.

Dat is het tragische van de personages van Hayes: ze doorzien de ander slechts gedeeltelijk, en zichzelf te laat. Er worden door de liefde krachten opgeroepen die te groot voor ze zijn, maar die ze toch voor hun eigen doeleinden proberen te gebruiken. De vrouw kiest voor financiële zekerheid maar wil tegelijkertijd haar schrijver niet opgeven, de verteller kiest voor de conclusie dat alle vrouwen onbetrouwbaar zijn.

Onaangename trekjes

Deze korte roman is een mooie herontdekking. Soms is Hayes’ stijl iets te poëtisch, zoals in de eerste en laatste scène in de hotelbar, maar het verhaal zelf wordt verteld op een gelaten, melancholische toon die hier en daar bijna dromerig wordt, ook omdat Hayes geen aanhalingstekens gebruikt, waardoor het verschil tussen gedachten en dialoog vervaagt. En ook al zijn de emoties van de gefnuikte minnaar herkenbaar voor iedereen die ooit is afgewezen, Hayes zorgt er wel voor dat zijn boek niet al te makkelijk naar binnen glijdt door zijn verteller onaangename trekjes mee te geven.

Op het eind probeert de verteller de vrouw zelfs nog te chanteren om zo nog één keer het bed met haar te kunnen delen. Zo wordt de identificatie van de lezer op scherp gesteld. Net wanneer die zich nestelt in een tevreden ‘zo zijn wij nu eenmaal’ veert hij geschrokken op: ‘Zijn wij zo?’