Stap altijd in de volle metrokar

Ik zat in de metro van Brooklyn naar Manhattan en ik kan hier beschrijven hoe een dame met haar hand gebaarde alsof ze een vlieg wegsloeg, maar er zat geen vlieg: ík zat daar. Ik schoof op, want van onverschilligheid win je het niet, maar van binnen kookte ik. Ik gluurde opzij in de hoop te ontdekken waarom zij durfde te denken dat ze beter was dan ik.

Vier haltes verder moest ik overstappen. De F-trein arriveerde en ik kwam in een bijna lege wagon terecht. De deuren sloten al achter me toen ik begreep waarom. De andere reizigers hielden hun neus dichtgeknepen en keken naar een grote plastic zak die op de grond onder een stoel lag. Bij de eerstvolgende halte rende ik naar de volgende wagon en wurmde me naar binnen. Daar stond iedereen zwetend bovenop elkaar, oksel drukten in nekken, rugzakken prikten in gezichten. Een man met een grijze baard wees naar beneden. Ik excuseerde me, maar er was nauwelijks ruimte om mijn voeten te verplaatsen. Hij zei: „Je staat op mijn tenen omdat je moest vluchten voor de poeplucht. Fair enough.”

Ook adviseerde hij: als een metrokar helemaal vol is en een andere leeg: stap altijd in de volle. Na zesenzestig jaar in New York had hij geleerd dat meebewegen je eigenzinnigheid niet opheft. Ruimte maak je niet. Ruimte heb je: in je hoofd.

Onlangs verscheen The Odd Woman and the City van schrijver Vivian Gornick. Met persoonlijke anekdotes schetst ze een fragmentarische filosofie over hoe je alleen, doelgericht en stads kunt leven, terwijl je eveneens contact zoekt en je laat verrassen door wat er gebeurt op straat.

Gornick gaat op stap met haar immer negatieve en klagende moeder. Ineens wil haar bejaarde moeder een meter voorbij het bordje van de bushalte staan. ‘Vroeger werd ik woedend, omdat de buschauffeur altijd voorbij de halte reed, maar nu besef ik dat het op deze plek gemakkelijk is om het trappetje uit te klappen voor mensen zoals ik.’ Ze voegt eraan toe: ‘Het is me opgevallen dat ik meer interessante gedachten heb wanneer ik niet boos word.’

Je zou kunnen concluderen dat lange tenen met ouderdom krimpen, maar ik denk dat het aan de geaccepteerde drukte in de City ligt. Het is niet aan anderen om je te begrenzen of je te groot of te aanwezig te vinden. Overal wiebelen tenen en steken hoofden boven het maaiveld.

Wanneer iemand tegen je oploopt of je aan de kant sist, is dat geen persoonlijke aanval; het wijst slechts op een andere opvatting over hoe je de gedeelde ruimte kunt vullen en gebruiken.

De tenen hoeven niet korter. In Nederland moet onze opvatting van de publieke ruimte breder, weidser, groter worden.