Offensief tegen slecht denkwerk & linkse charlatans

Modieuze ‘dooddoeners’ zijn Valkenberg een doorn in het oog, zeker die van postmoderne snit.

Rodins beeld ‘De denker’ verlaat het Rodin Museum in Parijs voor een tentoonstelling in China
Rodins beeld ‘De denker’ verlaat het Rodin Museum in Parijs voor een tentoonstelling in China Foto Jean-Claude Deutsch/Getty Images

‘Ga ik later ook doen’, zei de zakenman die me een lift gaf, toen hij hoorde dat ik filosofie studeerde. ‘Beetje nadenken over het leven.’ Ik knikte maar en zweeg braaf, nog tollend van de tentamens Kentheorie en Logica II die ik net had moeten afleggen. Filosofie is geen mijmeren over het leven, maar ‘een harde denkwetenschap’, citeert Sebastien Valkenberg de Utrechtse filosoof Menno Lievers in zijn boek Op denkles – en ik kan het daar, 37 jaar en vele denknederlagen later, alleen maar hartgrondig mee eens zijn. Maar hoe leer je zulk denken?

Met de opkomst van publieksfilosofie zijn inleidingen in ‘hoe te denken’ of ‘kritisch denken’ een gewild genre. Soms hebben die een polemisch karakter of zijn ze bedoeld als gereedschapskist danwel verbanddoos voor de lezer. Weer anderen proberen bij lezers, vaak op een persoonlijke manier, de verwondering op te wekken die de bron heet te zijn van filosofie. Die laatste is in Nederland populair, dankzij filosofen als Coen Simon en Jan Drost.

Sebastien Valkenberg (1978) is een ander type filosoof. Met het scheermes van Ockham in de hand maakt hij zich sterk voor een noodzakelijke zindelijkheid in het denken. Hij wil lezers wapenen tegen modieuze ‘dooddoeners’ die hem een doorn in het oog zijn: het idee bijvoorbeeld dat de waarheid niet bestaat of relatief is, dat de natuur louter goedheid is, dat je vaak onbewust tóch een racist kan zijn, dat religie nodig is voor een gezonde samenleving, en zo meer. Hij profileert zich als een kleinkind van het kritisch rationalisme uit de jaren zeventig, gekant tegen slordig denken en wars van de comfortabele verlokkingen van irrationalisme.

Valkenbergs aanpak is minder associatief dan argumentatief, en dat is een verdienste in de overwegend levensbeschouwelijke Nederlandse publieksfilosofie. Zijn boek is bovendien goed geschreven. En net als bij die eerdere lichting rationalisten, kolkt onder zijn klinische blik een nauwelijks ingehouden woede. Valkenberg windt zich op over het slechte denkwerk dat hij alom aantreft. Dat komt de urgentie van zijn boek ten goede en geeft het een gedrevenheid die vaak ontbreekt in de reflecties van Simon of Drost.

Maar een keerzijde is er ook, en nogal nadrukkelijk. Want hoezeer de auteur zich verre wil houden van de Nederlandse domineestraditie, zijn stelligheid heeft iets drammerigs dat op den duur gaat tegenstaan. Er valt zodoende wel veel van op te steken, maar of je er ook van leert denken, is de vraag – je krijgt eerder van alles ‘voorgedacht’ door iemand die het zelf al weet. Valkenberg doet dat bovendien niet, zoals Ockham, alleen met argumenten, maar ook met empirische data (bijvoorbeeld over het al dan niet heilzame effect van geloof) – en dat geeft zijn denkles bij vlagen juist weer iets onfilosofisch.

Daar komt bij dat deze jonge filosoof zijn doelwitten opvallend vaak in dezelfde hoek kiest: die van postmodern of academisch links. Het scheermes heeft veel minder aandacht voor toch ook eigentijdse, populaire dooddoeners van het type ‘je bent je brein’ of ‘het ligt aan hun cultuur’.

Ook breekt Valkenberg zich niet echt het hoofd over de vraag wat een ‘dooddoener’ precies is, en of dat woord wel synoniem is aan ‘pasklare ideeën’, ‘modieuze denkbeelden’ of het ‘irrationalisme’, die hij er moeiteloos mee verwisselt. Het criterium dat een dooddoener een eind maakt aan argumentatie, geldt mogelijk nog voor ‘dat is jouw mening’, maar niet voor beweringen als ‘religie is een hoeksteen van de samenleving’. Integendeel, dáár raken pro- en anti-religieuze denkers maar niet over uitgepraat. Overigens, in de Angelsaksische analytische filosofie wordt ook over een ‘modieus denkbeeld’ als ‘waarheid is relatief’ nog volop, en vlijmscherp, gedacht en gepubliceerd.

Valkenberg staat dan ook in een traditie van ideologisch gelijkgezinden, naar wie hij overigens keurig verwijst, zoals Boudry, Paul Cliteur en Dick Verhofstadt. Maar wie die literatuur kent, merkt dat hij zijn voorbeelden ook wel iets te veel napraat. Uiteraard komt hij dus op de proppen met de ‘Sokal-hoax’. In het kort: de Amerikaan Alan Sokal diende in 1996 een artikel vol wartaal in bij het postmoderne blad Social text, waar het met applaus werd geaccepteerd. Charlatans ontmaskerd! Vermakelijk, maar zo langzamerhand ook een hoax met een baard, die zelf het karakter van een dooddoener heeft gekregen.

Net als de auteurs die hem inspireren, hekelt Valkenberg het gevulgariseerde postmodernisme, dat ons sinds de jaren zestig en zeventig in de greep zou houden. Dat leidt tot zinnige kanttekeningen bij romantische vooroordelen en tot de verdediging van een nuchter vooruitgangsgeloof. Maar als culturele diagnose is zijn ergernis te eenzijdig: de stamtafel is geen postmoderne eenheidsworst, maar een potpourri van allerlei dooddoeners, van vulgair tot hip en links tot rechts. Hij verwijst zelf instemmend naar de ,,collectieve woede’’ over de fraude van Diederik Stapel. Kennelijk zijn we dus nog niet zó opgeslokt door het postmoderne monster.

Toch, zijn boek biedt stof tot denken – ook al omdat hij er zelf vaak te snel klaar mee denkt te zijn.