Magisch Centrum

Het was de week waarin ik mijn ANWB-partnerpas ontving. Ik plaatste er een foto van op Facebook en schreef erbij dat er nu geen ‘weg meer terug’ was. Het was een vage referentie naar hun slogan ‘ANWB brengt je verder’ en uiteraard probeerde ik half-ironisch (dat is het ergste genre) iets te zeggen over burgerlijkheid en volwassen worden, maar wat ik precies bedoelde wist ik eigenlijk zelf ook niet. Ik wist – en weet –namelijk nog steeds niet helemaal wat mijn mening over volwassen worden en burgerlijkheid überhaupt is. Maakt allemaal niet uit, het bericht werd door mijn Facebookvrienden meer geliked dan de melding van de geboorte van mijn zoon of een jubelende recensie van mijn boek. Ik vermoed dat mijn generatie er iets in herkende.

Ik moest aan mijn ANWB-partnerpas denken toen ik de tentoonstelling van Cor Jaring in het Stadsarchief bezocht: Magisch Centrum Amsterdam 1965-1975. Amsterdam in de tijd van de provo’s en de hippies. De stad was toen ‘hap-hap-happening’. Ik heb het altijd jammer gevonden dat ik er toen niet bij was, kuchend bij het Lieverdje, rellend bij het huwelijk van Beatrix en Claus, LSD-trippend tijdens de zoveelste ‘love-in’ in het Vondelpark en ik had dolgraag deel uitgemaakt van iets als de ‘insektensekte’ of ‘het resistentieorkest’, namen die toen nog niet klonken als briljante vondsten van Van Kooten en De Bie of Theo en Thea. Ik heb ook vaak het gevoel gehad dat mijn ouders het jammer vonden dat ik niet ‘zo’ was. Al waren ze zelf ook helemaal niet ‘zo’, maar misschien juist daarom. Het anti-burgerlijke, anti-autoritaire, het onconventionele, het waren wel waarden die ze lieten doorsijpelen in hun respectievelijke opvoeding. Ooit. Toen ik drie jaar geleden zei dat ik besloten had om freelancer te worden, schreeuwden ze ineens harder dan Johnny the Selfkicker om mij op andere ideeën te brengen en ‘gewoon in loondienst’ te blijven. Gelukkig hadden ze me anti-autoritair genoeg gemaakt om niet meer naar ze te luisteren.

Nu, wandelend langs de foto’s van Jaring, voel ik niet langer die misplaatste romantiek, die weemoed naar een tijd waarin ik nog niet bestond. Opeens is het weg en dat komt niet alleen door de afschrikwekkende beelden die Jaring maakte van de gek die ‘een derde’ oog in zijn eigen hoofd boorde of door de filmfragmenten van keihard optredende agenten tijdens de bouwvakkersrellen. Wat ik me realiseer is dat mijn kinderachtige verlangen om toen te willen leven heeft plaatsgemaakt voor de wens dat niet ik, maar Amsterdam weer net zo wordt als tijdens het roemruchte decennium. Net zo magisch, of in elk geval iets magischer dan nu. Hoe tof zou het zijn als het hier weer een fractie meer hap-hap-happening wordt? Als Amsterdam, net als toen, weer een stad wordt waar de rest van de wereld vol bewondering en opwinding over praat?

Dat ik volwassen word – of zelfs ben – is tot daar aan toe, maar onze stad zou voor altijd een vrijzinnige, opstandige puber moeten zijn.