Kosmopolitische losbol

Deze opportunist, soldaat, leraar, tolk en veel meer had een ongelofelijk avontuurlijk leven. Met zijn memoires, vol zelfspot, verdient hij postuum de Tegel én de Bob den Uyl Prijs.

Justus Swaving was ook een uitstekende verslaggever met een levendige, geestige schrijfstijl
Justus Swaving was ook een uitstekende verslaggever met een levendige, geestige schrijfstijl Uit: ‘Offer aan de lijdende onschuld of Swaving’s vlucht uit Delft’, Dordrecht 1827.

Justus Gerardus Swaving, wereldreiziger, avonturier, zakenman, vertaler, soldaat van Napoleon, soldaat van Oranje, gedetineerde en nog veel meer. Nooit van gehoord. En dat zou ook zo gebleven zijn wanneer deze merkwaardige Nederlander zijn herinneringen niet aan het papier had toevertrouwd; en wanneer niet de inmiddels 90-jarige historicus Salvador Bloemgarten op die memoires was gestuit.

Bloemgarten raakte zo geïntrigeerd dat hij er acht jaar aan wijdde om Swaving tot leven te wekken. Terecht, want niet alleen heeft deze globetrotter alle varianten tussen brave huisvader en ondernemende, vagebonderende fantast doorlopen, hij schreef zijn belevenissen ook nog eens onderhoudend op. Tussen de keurige prozaïsten uit de eerste helft van de 19de eeuw springt deze domineeszoon er met zijn levendige, geestige stijl boven uit. Zo zelfs dat een recensent in 1831 zuinigjes moest opmerken dat sommige delen van zijn autobiografie ‘de lachspieren zelfs van den ernstigsten lezer in beweging moeten brengen.’

Wie was nou die Swaving? Een evenwichtig overzicht van zijn levensloop zou meer woorden beslaan dan in deze recensie passen, maar het komt neer op het volgende. Deze rusteloze geest, geboren in 1784, nam al op twaalfjarige leeftijd, overdonderd door het uniform van een passerende zeeofficier, dienst bij de Bataafse marine. Met enig gesmokkel, dat wel. Hij was namelijk anderhalve duim te klein. Maar dat tekent eigenlijk al het latere: avontuurzucht, vindingrijkheid, een grote sociale vaardigheid, charme en bluf, en hoe ellendig de situatie ook was: altijd weer een hoge dosis geluk.

Overdosis

Na een korte marinecarrière bij de Bataafse vloot en vervolgens bij de tegenstander, namelijk die van de prins van Oranje, en na een onvoldragen studie theologie belandde Swaving als planter in de Nederlandse kolonie Berbice, aan de noordkust van Zuid-Amerika. Dankzij een huwelijk was hij eigenaar geworden van een plantage.

Moe van het uitputtende bedrijf aldaar vertrok hij via enkele Caraïbische eilanden naar New York waar hij zich overmoedig in een groot handelsplan stortte. Hiertoe moest hij een aanzienlijke som geld lenen. Het plan mislukte. Een schip met door hem gekochte koopwaar leed schipbreuk en de lading ging vrijwel verloren. Weg investering. Wat volgde was een cascade van avonturen: een zwerftocht door het Caraïbische gebied, enkele schipbreuken, ziektes, schuldeisers, gevangenisstraf in New York en een zelfmoordpoging met een overdosis opium.

In 1813 keerde Swaving terug in Nederland waar hij dienst nam in Napoleons Garde d’honneur. Een legereenheid die ondanks de fraaie naam volgens Swaving niet veel meer voorstelde dan ‘een stelletje oude bakers en keukenmeiden’. Na Waterloo was het tijd voor weer eens iets anders en trad hij in dienst van het leger van het Koninkrijk der Nederlanden.

In 1825 liep alles uit de rails toen hij beschuldigd werd van valsheid in geschrifte en hij gevangen werd gezet in zijn eigen huis in Delft. Hij vluchtte in vrouwenkleren en wist Londen te bereiken. Hier verdiende hij zijn geld als leraar Nederlands, Engels en Frans. In 1827 reisde hij ten slotte met vrouw en vijf dochters naar Zuid-Afrika. Kaapstad werd het eindpunt van dit turbulente leven. Swaving werd er tolk bij het Hooggerechtshof. Hier schreef hij verder aan zijn autobiografie, waaraan hij al in Londen was begonnen en die uiteindelijk vier, nu zeldzame, delen zou tellen.

Bloemgarten behandelt Swavings leven chronologisch en neemt telkens grote stukken authentieke tekst op. Die becommentarieert hij en legt hij langs de meetlat van historische feiten die hij heeft gevonden in archieven en in uiteenlopende publicaties.

Al lezende verbaast men zich over de ongelooflijke avonturen van deze man, waarvan Bloemgarten aantoont dat er wel een dosis opschepperij en fantasie in zit, maar dat er heel veel nawijsbaar klopt. Wonderbaarlijk is ook Swavings schrijfkunst. De eerste twee delen van zijn autobiografie Swaving’s reizen en lotgevallen door hemzelven beschreven, verschenen in 1827 in Dordrecht. Het doet in de verte denken aan Lotgevallen en vroegere zeereizen van Jacob Haafner uit 1820, maar de dertig jaar oudere Haafner is serieuzer, hij mist Swavings zelfspot.

Swaving staat meer in de traditie van de losbol, die het hart toch op de juiste plaats heeft. Hij is een goed waarnemer, die met een malicieuze pen de boven hem gestelden weet te karakteriseren. Aan kleurrijke natuurschilderingen ontbreekt het niet en evenmin aan aangrijpende beschrijvingen van het plantageleven en van het militaire bedrijf.

Volkerenslag bij Leipzig

Die laatste kunnen komisch overkomen, bijvoorbeeld wanneer zijn detachement van de Garde d’honneur – ongetrainde rekruten – lopend en hobbelend op afgeleefde paarden van Zwolle naar Tours wordt gedirigeerd. Onnavolgbaar en in zijn tijd wellicht niet geëvenaard is zijn beschrijving van de aankomst te Mainz van schepen vol doden en gewonden na de Volkerenslag bij Leipzig van 1813. Napoleon had daar een verpletterende dreun van de geallieerde legers opgelopen.

Swaving stond er met zijn neus bovenop toen de lijken en soms nog kermende gewonden op karren werden geworpen om naar grote grafkuilen te worden vervoerd. Van sommige doden stonden de ogen nog wijdopen alsof zij om wraak riepen tegen Napoleon ‘die hen zoo onmenschelijk aan zijn grenzelooze eerzucht had opgeofferd’.

Justus Swaving was, wanneer hij zijn fabulaties in bedwang hield, een uitstekende verslaggever. Postuum verdient hij de Tegel en de Bob den Uyl Prijs ineen. Salvador Bloemgarten heeft hem die met dit boek eigenlijk al verleend.