In stilte gestorven, precies tussen Drs. P. en James Salter

Eigenlijk willen mensen alleen maar writer’s writers lezen, zei een vriendin opgewekt na de dood van ex-writer’s writer James Salter. (Vijftien jaar geleden, toen Salter nog gewoon werd verramsjt, kocht criticus Michaël Zeeman eens de hele restvoorraad op bij Meulenhoff, tot zijn Renault bijna uit zijn voegen barstte van de exemplaren van Schemering.)

Intussen dacht ik: ‘Ach, de dag is bordkarton’. U herkent die regel vast niet, wat maar weer bewijst dat het lot van de poet’s poet nog veel triester is dan dat van de writer’s writer. Het citaat is van Hans van de Waarsenburg, de dichter die op 15 juni overleed. Dat was twee dagen ná Drs. P. en vier dagen vóór James Salter. Geen moment waarop wij van de landelijke kranten aandacht hebben voor een dichter uit Limburg. Slechts de personaliarubriek van Trouw meldde het verscheiden van de winnaar van de Jan Campertprijs 1973. Niet dat ik wil simuleren dat ik ooit een kruiwagen vol Van de Waarsenburgs heb gered. Ik googelde hem uit schuldgevoel en trof op poëzie-leestafel.info een schat aan gedichten, zoals een vers over een keeper in een jeugdelftal dat zeer hoopvol begint (‘Van jou maak ik de Witte Panter van/ MULO K, zei de sjofel geklede trainer’) maar eindigt met een harde klap: ‘De trainer, schold me uit en vloekte,/ terwijl het doelpunten regende. Ik/ rilde van woede toen ik werd/ uitgelachen, na een vergeefse snoekduik/ waarbij ik met mijn hoofd tegen de/ doelpaal terechtkwam[ ...]’

Bij het onvolprezen dbnl.org staan twee bundels online: de stille zegeningen van de digitalisering. Een paar keer viel mijn oog op het woord ‘ach’; misschien moeten we Van de Waarsenburg achteraf ‘een dichter van ach’ noemen. Op de site van de dichter zelf vond ik een mooi essay van Hans Groenewegen (ook al overleden) over de ‘trefzekere hunkering’ in het werk van Van de Waarsenburg. Hij schrijft: ‘Voelbaar is Van de Waarsenburgs inzet voor het nietigste en meest kwetsbare. Om zelfs het vergeefse te bewaren. Om het onaanzienlijke te zien en te achten. Omdat alles vergaat, mag het niet verloren gaan; zo zou je de inzet van het schrijverschap van Hans van de Waarsenburg kunnen karakteriseren.’ Omdat ook Hans van de Waarsenburg zèlf vergaat, denk je er nu onbewust achteraan. Groenewegen besluit zijn stuk met de zin: ‘Luid zal de poëzie van deze dichter niet meer klinken.’ Dat is misschien wel de kern, of de les van Van de Waarsenburg: het hoeft niet luid te klinken – zo lang het er maar is:

Slijp mijn lenzen nog eens, wil je?

En hijs de zeilen rondom het niemands-

land van de slaap, ontkurk de fles,

zet koers, maak vaart,

de dood wordt voor de dag bewaard.

Dus, als u even niet meer weet wat te doen deze zomer: google eens een dode dichter. Beloning volgt vanzelf.