Honger recht in de gapende muil kijken

Martín Caparrós ontmaskert in zijn nieuwe boek de vaak gehoorde bewering dat we op de goede weg zijn met hongerbestrijding. De wereld laat juist de allerarmsten aan hun lot over.

Illustratie Anne van Wieren
Illustratie Anne van Wieren

Het gaat waarschijnlijk gehaald worden, het eerste Millenniumdoel. In 2015 zal het percentage ondervoeden en straatarmen gehalveerd zijn ten opzichte van 1990. Daarmee kan de wereld zichzelf op de borst kloppen. Gelukkig, we gaan dit probleem op den duur oplossen. We hoeven er niet langer werkelijk over na te denken.

Maar dan hebben we buiten de Argentijn Martín Caparrós gerekend. Met een dik boek laat hij de lezer honger recht in de gapende muil kijken. Hij dwingt je je te verplaatsen in mensen van wie het hele bestaan beheerst wordt door de vraag waar het eten voor de kinderen vandaag vandaan moet komen. En door de angst dat er niets zal zijn.

Aan het begin van zijn boek zegt Caparrós dat hij niets zal zeggen wat we nog niet weten. Zijn boek gaat immers over bekend leed, veraf leed, leed van het type ‘het is een ramp, wat doe je eraan, echt vreselijk.’ Honger is een toestand, geen gebeurtenis, en toestanden accepteren we gewoon.

Caparrós meldt niet dat hij je in die 650 bladzijden gaat lastigvallen. Steeds zal hij nadrukkelijk een appèl doen op de empathie, de woede, de verontwaardiging, het medelijden en het schuldgevoel van de lezer. In de acht uur die het kost om het boek te lezen, schrijft hij bijvoorbeeld in de inleiding, zullen er ongeveer 8000 mensen van de honger sterven. ‘Als u niet de moeite neemt, zullen die mensen toch sterven, maar dan hebt u het geluk dat u er niet van op de hoogte bent.’ Verderop schrijft hij: ‘Eeuwenlang konden hongersnoden niet worden voorkomen. Tegenwoordig is voedsel verstrekken aan mensen die het niet hebben slechts een kwestie van wil. Wij hebben voldoende te eten en willen het hun niet geven.’

Honger is, kortom, een ongemakkelijk boek. Een dik boek, dat je eigenlijk niet wilt lezen en waarvan de schrijver je ook nog eens van alles verwijt. Een boek dat enerzijds duidelijk maakt dat het een wonder is dat we de honger percentueel gezien zo ver hebben teruggedrongen – dat is nog nooit in de wereldgeschiedenis vertoond. Maar het wrijft je ook de immense schande in dat nog altijd 805 miljoen mensen in acute hongersnood verkeren en dat 2 miljard mensen, éénderde van de mensheid, gedurende hun leven nooit genoeg binnenkrijgen. En dat terwijl de wereld, ook voor het eerst in de geschiedenis, meer dan genoeg calorieën per dag produceert.

Caparrós prikt het narratief gedeeltelijk door dat stelt dat we op de goede weg zijn. Het is namelijk maar net hoe je rekent. Vier keer, in 1990, in 1999, in 2012 en in 2013, stelde de wereldvoedselorganisatie FAO hongercijfers uit het verleden bij naar boven, waardoor het vereiste dalingspercentage voor de Millennium ontwikkelingsdoelen bij nader inzien gehaald bleek. En deze week constateerde de VN kinderorganisatie Unicef dat de gunstige statistieken van de Millenniumdoelen, gebaseerd op gemiddelden, de verslechterende trend onder de allerarmsten verhullen. In de race om vooruitgang lag het accent op de makkelijkst bereikbare gemeenschappen en kinderen, niet bij de meest behoeftigen, zei de directeur van Unicef. De allerhongerigsten tellen ook letterlijk niet genoeg mee.

Tussen nu en 2030 zullen volgens Unicef 68 miljoen kinderen onder de vijf van honger sterven. 119 miljoen kinderen lopen blijvende ontwikkelingsschade op.

Vergelijk je de toestand met hoe de wereld wás, schrijft Caparrós, dan heb je een succesverhaal. Maar kijk je naar hoe de wereld zou moeten zijn (of hoe je zou willen dat die was), dan heb je een volstrekt onacceptabele situatie.

Caparrós doet iets nieuws in zijn boek: hij onderzoekt wat honger betekent door uitgebreide gesprekken te voeren met straatarme mensen in onder meer Niger, Bangladesh, Argentinië en India, en hun leven te beschrijven.

Vuilnisbelt

Neem Kadi en Aï in Niger: vrouwen die rond hun vijftiende trouwen omdat ze zwanger zijn geraakt, die kinderen verloren hebben en eten uit hun mond sparen om hun levende kinderen te voeden. In de mobiele kliniek van Artsen zonder Grenzen krijgen ze dan te horen: uw kind is ondervoed. Neem Awani in Bombay die een nier wil verkopen om haar kinderen te voeden. Of de Argentijnse La Flaca, ‘de spriet’, die zich elke dag naar boven vecht op de vuilnisbelt in een keiharde strijd om de beste stukken etensafval.

En Nyankuma in Zuid Soedan, die gewoon haar man de schuld geeft van de honger. „Je man?” vraagt Caparrós.

„Natuurlijk, hij moet ervoor zorgen dat mijn kinderen en ik te eten krijgen. Daarom zijn we getrouwd.”

Waarop Caparrós antwoordt: „Maar hij heeft ook honger. Is dat zijn eigen schuld?”

„Dat interesseert me niet,” zegt ze. „Hij is degene die ons te eten moet geven.”

Caparrós schrijft meanderend, als een zwerver die her en der zijn informatie bijeen schooiert. Hij dwaalt langs thema’s en mensen, langs geschiedenis en cijfers. Hij staat ’s ochtends bij de vuilnisbelt in Buenos Aires en beschrijft de technieken van het gevecht om de kruimels. Hij loopt mee met het schoffelen van de stoffige mini-akkers, hij zit in ziekenhuisjes bij stervende peuters. Hij praat met artsen, activisten en een voedselspeculant. Hij schrijft veel over bedrijven, maar praat niet met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, van Unilever, Cargill of Monsanto bijvoorbeeld. Dat is vooral jammer omdat hij honger uiteindelijk vooral ziet als een systeemfout van het mondiale kapitalisme.

Doordat er voor elke aardbewoner in theorie genoeg te eten is, is de huidige honger een nieuw soort honger: niet langer een straf van de goden of een gebrek aan technologische vooruitgang, maar alleen nog een verdelingsvraagstuk.

De mondialisering van het voedingsstelsel heeft een ongelooflijk veerkrachtig en rijk systeem opgeleverd. Maar die mondialisering is ingericht door, en daarom gericht op, de behoeftes van de rijke stedelijke consument in vooral het Westen. In wat je niet anders kunt omschrijven dan als een gigantisch marktfalen, sluit het stelsel diegenen uit die geen geld hebben om eten te kopen – de mensen die niet nodig zijn om hun stem te leveren aan de democratie, of hun arbeidskracht aan de economie. Neem India, dat op de tiende plaats staat op de lijst van de rijkste landen ter wereld, maar waar 27 procent van de bevolking een te laag BMI heeft. Of neem Argentinië, ‘de sojaschuur van de wereld’. ‘Hoe kan het dat een land dat genoeg eten voor 300 miljoen mensen produceert’, schrijft Caparros, ‘niet in staat is 40 miljoen inwoners te voeden?’

Dit ‘menselijk surplus’ krijgt niet genoeg binnen en verkeert op de rand van overleven op schamele oogsten, op het afval van de rest en op de aalmoezen van de wispelturige hulpprogramma’s.

Natuurlijk zijn het de nationale overheden die het vangnet zouden moeten uitwerpen, met een goed belasting- en loonstelsel en met het integreren van de informele in de formele economie. Maar nationale overheden zijn vaak zwak, verdeeld, corrupt en arm. Daarnaast hebben ze weinig speelruimte door de internationale economische architectuur van het IMF, de Wereldbank en bindende handelsverdragen. Ondertussen overlappen de belangen van de politieke en economische elites in de mondiale arena elkaar doorgaans vrij aardig, terwijl die van de allerarmsten heel anders zijn.

Zwerftocht

Het is niet zo dat Caparrós geen oog heeft voor de complexiteit van honger. Op zijn zwerftocht door tien landen op drie continenten komt hij de meeste oorzaken wel tegen. Gewoontes, religie en tradities die de mensen verhinderen hun rechten op te eisen. Corruptie bij hun regeringen. De permanente staat van oorlog of semi-oorlog in sommige regio’s die mensen verhindert voedsel te verbouwen. Het ontbreken van kennis, zaden, infrastructuur en irrigatie. Klimaatverandering en bodemerosie. Bevolkingen die sneller groeien dan hun primitieve landbouw moderniseert. Voedselspeculatie en landgrab. Belastingontwijking en unfaire handelsverdragen waarvoor voedselhulp nooit een compensatie is.

Wat moet de wereld met de arme plattelandsbewoners? Ze wonen op grond die veel meer opbrengt als een wereldspeler erop kan verbouwen, of als de erin aanwezige grondstoffen kunnen worden gewonnen. Als producent kunnen kleine boeren niet op tegen het betere, oneindig veel efficiëntere voedsel dat hun regeringen importeren. Als consument kunnen ze dat voedsel niet betalen. Ze raken hun land kwijt en worden deel van een uitdijende sloppenwijk.

Landen en bedrijven die vooruitkijken, vertrouwen ondertussen nooit helemaal op de markt, ze zorgen gewoon dat ze zelf zoveel mogelijk schakels van de voedselketen in handen hebben. Miljoenen hectare land zijn door buitenlandse fondsen en regeringen opgekocht in straatarme landen als Zuid-Soedan, Congo, Ethiopië en Mali.

De nadruk die Caparrós legt op de oorzaken van honger en ondervoeding, maakt zijn boek statisch en cyclisch. Zoals de honger zelf, zou je kunnen zeggen. Maar daarmee schetst hij niet het complete beeld. De gevólgen van honger, de collateral damage van het economische stelsel, blijven uit beeld. Nog net noemt Caparrós migratie als ‘primitieve vorm van herverdeling’, maar hij schrijft niet over de andere uitwegen die jonge mannen zonder toekomst kiezen: drugsteelt, drugssmokkel, een baan bij Boko Haram of al-Shabaab.

Dikke laag hypocrisie

Ook cyclisch, en soms behoorlijk vervelend, is Caparrós’ breed opgetekende worsteling met de vraag hoe mensen die wél te eten hebben zich tot honger moeten verhouden: de kwestie overvloed en onbehagen. In intermezzi, getiteld ‘Aan de stamtafel’, houdt Caparrós over deze vraag een soort debat met zichzelf. Zijn wij dan de schuldigen? Is schuldgevoel nodig? Heeft het zin? Hij komt er niet uit, en de herhaling gaat tegenstaan. Ja, er is een verband tussen rijkdom hier en armoede daar, maar dat verband is niet zo direct als Caparrós beweert door het hysterische ontbijtmenu te geven van een duur hotel in Delhi, net nadat hij de toestand in een straatarm dorp heeft beschreven. Wel is er een dikke laag hypocrisie, of, zoals het in nette termen heet, beleidsincoherentie, met ontwikkelingshulp als compensatie voor onder meer oneerlijke handel.

Het individu heeft daar weinig invloed op. Maar Caparrós weigert zich daarbij neer te leggen. ‘Ik heb de wereld afgereisd en word steeds wanhopiger. Maar ik geloof steeds meer in wanhoop,’ schrijft hij. Elders pleit hij voor meer verontwaardiging en kwaadheid. En concreter: voor manieren om een betere verdeling te forceren.

Caparrós is een kind van de jaren zestig, ‘de generatie die dacht dat na ons niets meer hetzelfde zou zijn’. Je kunt hem makkelijk een gedesillusioneerde marxist noemen, die de schuld legt bij het grootkapitaal en zich opvreet omdat de verworpenen der aarde energie noch fantasie hebben zich een andere wereld voor te stellen – laat staan dat ze er de barricades voor opgaan. Maar zijn hoofdstuk over Mao's Grote Sprong Voorwaarts maakt duidelijk dat revolutie de oplossing niet is. ‘Elk revolutionair project is verdacht, want dergelijke projecten stonden aan de basis van rampzalige gebeurtenissen.’

Maar Caparrós heeft gelijk als hij schrijft dat het succesverhaal van marktwerking zo dominant is, zo Alternativlos, zoals de Duitsers zeggen, dat daarbij vraagtekens zetten nauwelijks nog mogelijk is. Met Unicef stelt Caparrós dat de markt het hongerprobleem niet oplost en dat er dus nieuwe oplossingen of in elk geval krachtige bijsturing nodig is. Een nieuw Millenniumdoel moet zijn: niemand meer honger in 2030.

De grote verdienste van Caparrós is dat hij, 655 hamerende bladzijden lang, de tegenstribbelende lezer bij zijn nekvel weet te houden en hem met de neus op de feiten drukt. Hongerbestrijding is een succesverhaal, maar juist daarom worden de mensen met de meeste honger vergeten.

En dat kan je niet meer, als je dit boek gelezen hebt.