Hij keek en doorzag het allemaal

Uit twee verzamelbundels met journalistiek werk van de grote Oostenrijks-joodse schrijver blijkt zijn scherpe inzicht in de politieke ontwikkelingen van zijn tijd. Ook vallen de parallellen met het heden op.

Tekening Paul van der Steen
Tekening Paul van der Steen

Een van de aangrijpendste beschrijvingen van de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog kun je lezen in Joseph Roths ‘De kreupelen’. Die reportage, voor het eerst verschenen in de Frankfurter Zeitung van 23 november 1924, gaat niet over die grote mensenslachting zelf, maar over een rouwstoet van oorlogsinvaliden, die in Lemberg een kameraad naar zijn graf brengen. Ze lopen geordend volgens hun lot: de verlamden voorop, daarna de blinden, de eenarmigen, de armlozen, en ga zo maar door. En dan verschijnt er ineens een vrachtauto in de stoet, die, zoals Roth schrijft, ‘rechtstreeks uit een vreselijk visioen van de hel’ lijkt te komen. ‘Op die wagen stonden de verminkten met een gezicht als een rood gapend gat met witte windsels eromheen en rozig wondvlees in plaats van oren. Daar stonden klompen van vlees en bloed, soldaten zonder ledematen, rompen in uniform waarvan de lege mouwen als een gruwelijke koketterie op de rug waren samengeknoopt.’

In een paar zakelijke woorden laat Roth zo het onmetelijke leed zien dat de gewone man in een oorlog wordt berokkend, de gewone man die ook in zijn literaire werk steevast de verliezer is. ‘De kreupelen’ is dan ook het hoogtepunt in twee onlangs verschenen bundels journalistiek werk van de Oostenrijks-joodse schrijver: De blonde neger en andere portretten, samengesteld door Els Snick, en Reisen in die Ukraine und nach Russland, bezorgd door Jan Bürger. Beide bundels laten Roth zien als een van de scherpzinnigste waarnemers van zijn tijd. Daarnaast helpen ze je om huidige dictaturen te doorgronden.

Agressie

Net als in zijn roman Het spinnenweb (1923), waarschuwt Roth ook in zijn krantenstukken uit die tijd voor de rancune en agressie in het door de Vrede van Versailles vernederde en gefrustreerde Duitsland. Als een van de weinigen ziet hij dan al in Hitler en zijn kornuiten een levensgevaarlijke dreiging, die hij subtiel en met veel spot beschrijft.

Zo gaat zijn reisreportage ‘De blonde neger Guillaume’, gepubliceerd een maand na de mislukte Hitlerputsch van 1923 in München, over een sergeant van de Franse bezettingstroepen, een neger met blond haar en blauwe ogen, die Duits als moedertaal heeft en Goethe leest. Roth portretteert hem als iemand die ‘niet alleen veel slimmer was dan Hitler uit de negerstam van de Opper-Oostenrijkers’, maar ook veel meer verbonden is met de Duitse aard dan veel vooraanstaande nazi’s. Als die neger even later zegt dat hij met een jong meisje uit München hoopt te trouwen ‘als het allemaal voorbij is’, concludeert Roth: ‘Ik ben bang dat het nog lang niet allemaal voorbij is; in ieder geval niet in München, waar de witte negers wonen en waar je niet de verloofde kunt zijn van een Franse blonde Duitse zwarte zonder door hakenkruisers te worden lastiggevallen.’

In de kroniek ‘Berlijns prentenboek’ (1924) beschrijft Roth een stoottroep van scholieren en studenten, die door de straten van Berlijn marcheren en ‘met een volharding die een onmiskenbaar teken is van vergevorderde afstomping’ Joden! Joden! roepen. Ze krijgen elk drie mark voor iedere verkiezingsbijeenkomst die ze uit elkaar slaan. En dan komt Roth met een rake beschrijving van hun aanvoerder en daarmee van de hele nazibeweging: ‘een kwajongen met een wirwar aan littekens daar waar zijn gezicht moest zitten, het evenbeeld van een zuiver arische god.’

Het nationaal-socialisme is in zijn ogen een nieuwe religie: ‘De frisse Duitse jongens en meiden keerden terug naar de keizersportretten en de wandspreuken van hun huizen, door hun ouders opgewekt onthaald als de zegevierende wrekers op de jodenrepubliek. Voor het avondeten lazen de huisvaders een hoofdstuk uit De Wijzen van Sion. Het hele gezin sloeg het hakenkruisteken. Zo vierde men de herrijzenis van Christus.’

In Reisen in die Ukraine en nach Russland heeft Roth diezelfde scherpe blik als het om het communisme gaat. In 1926 vertrok hij als een bolsjewiek naar de jonge Sovjet-Unie, om er in een paar maanden tijd gedesillusioneerd te raken en als royalist terug te keren. In Moskou ziet hij hoe grauw alles er is, ondanks al het wapperende rood. Alsof ieder mens een radertje in een grote machine is geworden en de socialistische heilsleer alle individualiteit uitvlakt. Nooit ziet hij in die wereld van kolen en staal iemand die nergens mee bezig is en zonder zorgen is. Roth omschrijft het als een gebrek aan beschaving. Rusland ‘ontbeert de lichte opgewektheid, die alleen uit een oude volmaakte wereld kan voortkomen, maar nooit uit een wereld in wording. Rusland mist de ongedwongenheid, die een kind van de overvloed is. Het is alsof ik door akkers loop, waarin slechts hoognodige, overvloedig gezaaide aardappels groeien.’

Lichtzinnigheid

De Sovjet-Unie wekt bij hem heimwee naar de lichtzinnigheid, immoraliteit en decadentie van de wereld waar hij vandaan komt. Hij voelt zich daar meer op zijn gemak dan in het land van Marx, Lenin en Stalin. De westerlingen die met het communisme dwepen, beschouwt hij als romantici, verblind door het pathos van de revolutie.

En dan zijn er ook nog de parallellen met het Rusland van Poetin, die bevestigen dat Roths journalistieke werk nog altijd niet aan actualiteit heeft ingeboet. Dat blijkt al uit zijn constatering dat een reactionaire dictatuur verbiedt en een proletarische dictatuur dicteert. Zie de afhankelijkheid van de huidige Russische pers van de regering. En wanneer Roth schrijft dat de communistische partij de functie van de religie heeft overgenomen, is de vergelijking met het nationaal-socialisme, zoals je die in De blonde neger en andere portretten kunt lezen, compleet.

In die laatste bundel komen ook nog andere aspecten van het dagelijks leven in de chaotische Weimarrepubliek aan bod. Zo verslaat Roth in ‘De club van de arme Turken’ op vermakelijke wijze de toenmalige mode van het oriëntalisme, waarin velen de Turk wilden uithangen. Ronduit ontroerend is ‘De vrienden’, over twee samenwonende geleerde heren, van wie er een overlijdt. In het mededogen met de overlevende doctor toont Roth zijn grote empathische vermogen, dat zo’n warme en eeuwig leesbare schrijver van hem maakt.