Het aambeeld leidt de opstand der dingen

In de slipstream van de film De Surprise is een bundel verhalen van Belcampo heruitgebracht. Met duivels plezier schetst de schrijver de ondergang van Rijssen en de rest van Nederland. Wat houdt zijn werk zo fris?

Foto Corbis
Foto Corbis

Studenten Nederlands zijn dol op de verhalen van Belcampo (1902-1990), en niet alleen sinds de charmante verfilming van het verhaal ‘De Surprise’, die nu in de bioscopen draait. Het enthousiasme van de studenten zal iets te maken hebben met de speelsheid en fantasie in de ‘bizarre verhalen’, zoals de ondertitel luidt van de bundel De Surprise. Maar wat ze vooral aantrekt is dat Belcampo een wereld schetst waarin alles nog mogelijk is. Kiezen is een probleem voor de mannen en vrouwen van Belcampo, en zijn verhalen gaan dan ook vaak over werelden waarin kiezen nog even niet hoeft.

Neem ‘Een bekentenis’, over een man die zijn evenbeeld ontmoet in de trein. De dubbelganger heeft alles wat de ik-verteller zelf niet heeft: een vaste betrekking, een lieve vrouw en twee schatten van kinderen. De verteller daarentegen heeft vrijheid en avontuur, maar is het zwerven moe. Het duurt niet lang voor ze besloten hebben elkaars plaats in te nemen, waarna ze naar ieders tevredenheid jaarlijks weer omruilen.

Zo genoeglijk loopt het lang niet altijd af in de verhalen van Belcampo (1902-1990). In de bundel zijn twee van zijn apocalyptische verhalen opgenomen, waarin de ondergang van Rijssen of zelfs heel Nederland met een duivels plezier beschreven wordt. De scherpzinnige criticus Paul Rodenko, tijdgenoot van Belcampo, wees erop dat de schrijver met zulke humor de angst voor modernisering trachtte te neutraliseren.

Vanuit die angst voor een harde, mechanische, onttoverde wereld zijn veel van deze verhalen te begrijpen. In ‘De dingen de baas’ wordt het gezin Belcampo ’s ochtends in bed vastgehouden door hun dekens, terwijl al hun bezittingen de deur uitwandelen om zich te verenigen.

Die opstand der dingen gaat zo ver dat auto’s en trams zelfstandig door de straten rijden, en de mensen naakt in hun huizen worden opgesloten door het totalitaire regime der objecten, waar een aambeeld de leider over is. Pas als de dingen zonder de mensen zich toch vrij zinloos beginnen te voelen, en de aarde zelf ingrijpt, keren ze gedwee terug naar huis, waar de mensen zich echter nooit meer het centrum van het universum kunnen wanen.

Ondanks die geestige verhalen, en de lof van Rodenko, is Belcampo niet werkelijk in de canon opgenomen. Daarin is immers altijd weinig plaats geweest voor het magisch realisme, laat staan voor de vrolijke en soms grimmige overdaad van dit werk. Zouden we Belcampo in die canon terugplaatsen, dan komt hij ergens terecht tussen Simon Carmiggelt en W.F. Hermans, met wie hij beiden bevriend was. Evenals Carmiggelt was de schrijver vol van de ‘gistende gemeenschap’, van de mensen zelf en de verschillen tussen hen. Daarin openbaart zich de meer schunnige en Amsterdamse kant van Belcampo ook, die van het sterke verhaal en van de snaakse passages. Dat soort vertellen is inmiddels overgenomen door televisie: beeldend, aansprekend voor een niet al te smal publiek en zich niets aantrekkend van de grenzen van het fatsoen: of liever gezegd: die grenzen opzettelijk overschrijdend.

Op andere momenten doen zijn verhalen meer denken aan Hermans, wanneer ze zich uitspreken over de verhouding tussen machines en mensen, goed en kwaad, waanzin en normaliteit, en vooral over de relativiteit van die begrippen. Veel meer dan Hermans getuigt Belcampo echter van geloof in de mens, en in de zuivere liefde tussen hen. Nog een reden, trouwens, waarom Belcampo ook voor studenten zo de moeite waard is.