En de vraag is nu: kan dit zomaar weer gebeuren?

Dat Bart van U. in de war was, was bekend. Maar alleen iemand met een stoornis die acuut gevaar oplevert, kan gedwongen worden opgenomen.

Het was duidelijk dat hij verward was, de man die vermoedelijk Els Borst en later zijn eigen zus heeft vermoord. Dat wist zowel de politie als het OM. Waarom zat Bart van U. dan niet vast? Er is in deze zaak wel meer fout gegaan, maar het antwoord is in ieder geval voor een deel: omdat niet duidelijk was hoe verward hij was. Was hij gevaarlijk verward? Of was hij vervelend, overlastgevend verward? Alleen de eerste groep, mensen met een stoornis die acuut gevaar opleveren, kan gedwongen worden opgenomen.

Bart van U. is in ieder geval één keer ‘vrijgegeven’ door de crisisdienst van de ggz. De politie had die dienst erbij gehaald omdat Van U. zich met vuurwerk in het politiebureau had gemeld met het verzoek hem op te nemen, omdat hij anders iets zou doen waardoor ze hem wel móesten opnemen. Maar de ggz-arts oordeelde dat Van U. niet dat gevaar opleverde dat onmiddellijke opname rechtvaardigt.

Dat roept de vraag op: hoe moeilijk is het om in te schatten of iemand op het punt staat iemand kwaad te doen? En als dat moeilijk is, en de inschatting dus inherent onzeker, hoe gaat justitie daar dan mee om?

Volgens hoogleraar forensische psychiatrie Robbert-Jan Verkes is met de juiste informatie redelijk goed in te schatten of iemand op het punt staat iets gevaarlijks te doen. „Vooral mensen die psychotisch zijn, dat is alarmerend”, zegt hij. Dat geldt niet zonder meer voor mensen met een persoonlijkheidsstoornis. „Deze mensen kunnen zich soms erg dreigend en intimiderend opstellen, en veel overlast en angst veroorzaken in hun omgeving en bij hun familie. Maar ze zijn lang niet altijd gevaarlijk en wij kunnen dat redelijk goed inschatten.” En in ieder geval zijn de beoordelaars in Nederland voorzichtig, zegt Verkes. „We schatten het risico eerder iets aan de hoge kant in, dan te laag.” Je wilt erger voorkomen, zegt hij. „En je wordt tenslotte niet direct afgerekend op een opname die mogelijk overbodig was, maar wel als je iemand niet opneemt die vervolgens een ernstig delict pleegt.”

Moeilijke gevallen

Maar er zijn wel degelijk moeilijke gevallen. En dat zijn vooral de mensen die niet willen meewerken aan een onderzoek, die niet willen praten. „Van deze mensen is niet altijd duidelijk of ze psychotisch zijn.” Om bij deze groep tot een oordeel te komen, heb je aanvullende informatie nodig, bijvoorbeeld van familie, of van voorgaande behandelaars, zegt Verkes. Als iemand weigert, kan een psychiater die gegevens niet inzien. Een nieuwe wet voor forensische zorg moet dat probleem verhelpen, zegt Verkes. Het wetsvoorstel ligt nog klaar voor behandeling in de Eerste Kamer. Dit probleem speelde ook bij Bart van U., concludeerde de onderzoekscommissie. Van U. wilde aan geen enkel onderzoek meewerken.

Het gegeven dat het Hof om de directe opsluiting van Van U. had gevraagd in verband met de strafzaak voor verboden wapenbezit, was onbekend bij de politie. Net als de grote zorgen van de familie, die zij meermaals schriftelijk te kennen hebben gegeven, niet bij iedereen bekend waren. Het is de onderzoekscommissie niet gelukt te achterhalen of arts die Van U. beoordeelde hiervan op de hoogte was – en dus ook niet of dat het oordeel had beïnvloed.

De psychiater legt zelf de maatregel niet op. Dat doet, in crisisgevallen, de burgemeester. Maar vrijwel altijd op advies van een arts, vaak van de crisisdienst van de ggz. Zo’n crisisopname duurt maximaal drie dagen, daarna kan in een rechtszitting ter plekke – rechter, advocaat, behandelaar, allemaal in het psychiatrisch ziekenhuis – tot een langere opname worden besloten. En hoewel de rechter beslist, gaat hij daarbij in de praktijk af op het oordeel van de behandelend psychiater.

Jaarlijks beoordeelt de crisisdienst ongeveer 150.000 tot 175.000 gevallen. Een deel, 15 procent, omdat de politie dat nodig vindt, zoals in het geval van Van U. In 40 procent van de gevallen vraagt de huisarts of de huisartsenpost om een beoordeling, en de rest gebeurt op initiatief van bijvoorbeeld de spoedeisende hulp, de eigen behandelaar, of de ambulance. Ongeveer eentiende van de beoordelingen loopt uit op de conclusie dat opname in een psychiatrische instelling noodzakelijk is. Het aantal opnames stijgt: van 6.923 in 2003 naar 7.964 in 2013.

Hoogleraar Verkes wil benadrukken dat de beslissing om iemand tegen zijn zin op te sluiten, iemand die vaak nog niets verwijtbaars gedaan heeft, altijd lastig is. „Het blijft een ingrijpende beslissing. Maar regelmatig zijn patiënten achteraf dankbaar dat het zo is gelopen, ook al konden ze dat indertijd niet zien.”