Bekeerling

Veertien jaar oud is hij, een gymnasiumleerling. Een serieuze, tengere jongen met sluik, donkerblond haar en een kinderlijk gezicht. Samen met zijn wat hippie-achtige moeder bezoekt hij een bijeenkomst in het Rotterdamse wijkcentrum De Heuvel over radicalisering. Burgemeester Aboutaleb en een imam uit Utrecht zijn er gastsprekers. De jongen is door zijn moeder meegenomen omdat ze zich zorgen maakt over haar zoon, vertelt ze me. Hij heeft zich vorig jaar bekeerd tot de islam en zijn alleenstaande ouder weet zich er geen raad mee. Via WhatsApp kwam hij uit de kast: „Mam, ik ben heel blij. Ik heb besloten dat ik moslim wil worden.”

Moeder reageerde verbaasd en enigszins geschrokken, maar ging toch op zoek naar informatie en naar een manier om haar jonge bekeerling te kunnen begeleiden in zijn keuze. Ze kocht een koran, een gebedskleedje en kookt sindsdien halal. Wel huilde ze toen ze hem voor het eerst afzette bij de moskee, waar hij alleen naar binnen ging, maar dat had ze misschien ook gedaan als ze hem bij de disco zou hebben afgezet, zegt ze.

De echte zorgen kwamen pas toen hij na de aanslagen in Parijs onbewogen naar de televisiebeelden keek en niet begreep waar zijn moeder zo geschokt over was. „Ik heb je anders nog nooit gehoord over de doden in Gaza”, had hij opgemerkt. Ook zag ze dat hij internetsites bezocht waarvan de boodschap haar verontrustte. Moeder belde de AIVD voor advies en schreef een lange brief aan Tweede Kamerlid Marcouch, waarin ze vertelde hoe ongerust ze eigenlijk was. Ze kreeg geen antwoord. Ook bezocht ze de vader van zijn beste Marokkaanse vriendje. De vader had hem gestimuleerd koranlessen te gaan volgen. Hij weigerde haar de hand te schudden en ook daar had ze om moeten huilen.

Nu heeft ze een besluit genomen, na overleg met ‘deskundigen’ uit de Rotterdamse islamitische gemeenschap, vertelt ze. Haar zoon mag voorlopig niet meer naar de moskee, niet naar koranles en ook niet meer uit logeren bij zijn Marokkaanse vriendje. Hij bidt voortaan alleen thuis en ze blijft halal voor hem koken. En als hij op zijn achttiende nog steeds niet van zijn geloof is gevallen, mag hij van haar alsnog de officiële belijdenis afleggen. De jongen zelf begrijpt de zorgen van zijn moeder en de omgeving ergens wel, zegt hij verlegen. „Maar”, vervolgt hij, terwijl hij zijn ogen opslaat en me voor het eerst aankijkt: „Ik ben nog nooit zo gelukkig geweest.”