Als ze me maar niet horen klagen

De dichter van de gorgelrijmen kreeg het verwijt met alle winden mee te waaien. Een echte stormram was hij inderdaad niet. Als een man als Hermans hem op zijn donder gaf, kroop hij in zijn schulp.

C. Buddingh’ op Poetry International in Rotterdam, 1974
C. Buddingh’ op Poetry International in Rotterdam, 1974 Foto Vincent Mentzel

Sinds de marmite uit een spuitsluiting komt, is C. Buddingh’ echt dood. De dichter gaf met zijn magistrale voordracht van zijn eigen gedicht ‘Pluk de dag’ bij de legendarische manifestatie Poëzie in Carré, niet alleen marmite (of althans het dekseltje, zie de reproductie hierboven) een plaats in de Nederlandse letteren, maar markeerde ook het ontstaan van de podiumpoëzie. Dankzij de tv-registratie van de avond werd hij ‘de dichter van het moment’ en plots beroemd buiten de literaire en studentenkringen waar al twintig jaar werd gedweept met zijn blauwbilgorgel.

Dertig jaar na zijn dood is de reputatie van de dichter ingedikt tot het dekselfragment en zijn gorgelrijmen – en het aardige van Wim Huijsers nu verschenen Dichter bij Dordt. Biografie van C. Buddingh’ is dat dit boek je niet alleen de weg terugwijst naar het werk van Buddingh’, maar dat je na lezing toch ook wel begrijpt waarom Buddingh’ meer wordt herinnerd om zijn toegankelijkheid dan om zijn genie.

Om met het eerste te beginnen: je hoeft de vijf jaar geleden verschenen verzamelbundel Buddingh’ gebundeld maar open te slaan (in dit geval op pagina 681) om te stuiten op een gedicht als ‘hangertje’ waarin de dichter losjes vertelt over een kleermaker waar hij vroeger met zijn vader kwam en waarvan hij nog steeds een kleerhangertje bewaart: ‘’k Gebruik ’t/ vrij vaak: ’t is van haast onverslijtbaar hout.’ Dat haast onverslijtbare hout verbindt zich geruisloos met het pijnlijke slot van wat een oorlogsgedicht blijkt te zijn: ‘In ’43 werden ze verraden./ Wanneer dat niet gebeurd was, zou mijn broer/ misschien nog met de dochter zijn getrouwd.’ Het zijn kleine woorden, maar ze staan heel goed bij elkaar. Een pagina verder staat een regeltje als ‘maar lente loopt als water door je vingers’. Het zijn gedichten uit de jaren zeventig, de periode waarin Buddingh’ ook zijn grootste literaire prijs kreeg, de Jan Campertprijs voor Het houdt op met zachtjes regenen.

Veel aandacht ging bij het verschijnen van die bundel uit naar het gedicht ‘In memoriam Beertje van M.’ dat teruggreep op de jaren die Buddingh’ na de oorlog in een sanatorium doorbracht om te herstellen van tbc. Die episode wordt ook als cruciaal aangegeven in Dichter bij Dordt. Wim Huijser geeft in de biografie een helder overzicht van het leven van de dichter en schrijver, daarbij dankbaar gebruik makend van Buddingh’s dagboeken en ook van gesprekken die Buddingh’s zoon Sacha in de jaren negentig opnam met zijn moeder Stientje. Zo weten we dat de tiener Kees de opeenvolging van zijn vriendinnetjes (Greet, Suus, Corri I, Mari, Corri II en Suus) tussen 1935 en 1938 keurig bijhield.

Het levensverhaal van Buddingh’ is in handen van Huijser dat van een aardige man met een diepe liefde voor schaken, voetbal en jazz en a touch of genius. Zijn literaire loopbaan ging aanvankelijk met nogal wat hindernissen gepaard. Eerst was daar de bezetting, waar Buddingh’ – die zich wel meldde bij de Kultuurkamer, maar amper publiceerde – zich al aanpassend doorheen probeerde te slaan. Daarna volgde zijn ziekte, zodat het hemelbestormen pas goed op zijn dertigste kon beginnen. En een echte stormram was Buddingh’ niet. Hij voelde zich op zijn gemak in Dordrecht en was meer een man van nieuwsgierigheid dan van sterke opvattingen. Het leverde hem het verwijt op met alle dichterlijke winden mee te waaien, tot zich met Gard Sivik en Barbarber bladen aandienden waarbij hij zich werkelijk op zijn gemak voelde.

Toch krijg je bij het verder lezen in Dichter bij Dordt het idee dat er iets ontbrak aan Buddingh’ – of dat er iets ontbreekt aan het beeld dat Huijser van hem geeft. Want de dichter toont wel heel weinig overtuigingen in deze biografie. Zo spreekt uit de deliberaties over de Kultuurkamer geen enkel politiek bewustzijn, alles draait om praktische omstandigheden en tamelijk vage morele noties. Ook elders heb je het idee dat Huijser de dichter uit de wind houdt. Soms maakt hij vooral nieuwsgierig naar wat hij niet vertelt. Dan schrijft de biograaf: ‘Uit de brieven aan de Nijmeegse hoogleraar spreekt een nogal negatief zelfbeeld,’ maar citeert hij die brieven vervolgens niet. Dat is gek – en jammer.

Zo komt Cees Buddingh’ uit het boek naar voren als een vriendelijke man die moeilijk nee kon zeggen. Het leverde een gevarieerd oeuvre op – zie ook zijn vertalingen, (kinder)verhalen en dagboekpublicaties – maar tevens een schrijverschap waar een drijvende kracht aan lijkt te ontbreken. In de loop der jaren kreeg Buddingh’ dan ook enkele malen flink op zijn donder om de huiselijkheid van zijn werk: zowel van een grootheid als W.F. Hermans als van Boudewijn Büch. In dergelijke situaties voelde Buddingh’ zich snel gekwetst en had hij de neiging om in zijn schulp te kruipen. Het zijn de momenten waarop het door Huijser geprezen relativeringsvermogen van Buddingh’ zich verbindt met dat vermoeden van een negatief zelfbeeld – je had er de biograaf graag méér en explicieter over aan het woord gehad.

‘Ik hoop dat niemand mij ooit heeft horen klagen’, schreef Buddingh’ in zijn zakagenda van 1982 – drie jaar voordat complicaties bij een darmaandoening hem het leven zouden kosten. Het laatste boek dat hij publiceerde was een terugkeer naar de gorgelrijmen waar het in 1943 allemaal mee was begonnen: de bundel Nieuwe gorgelrijmen. Daarin meldden zich gekke beesten, waarvan de ollewuin een van de laatste is. Die

[...] zit en zit maar op zijn duin

bakt ze noch zich ooit meer eens bruin,

doch tuurt bang uit over de baren

alsof de golven wolven waren.