Van een niche naar hip WK op primetime

Tien jaar geleden werd beachvolleybal nog niet serieus genomen als topsport. Nu is Nederland organisator van het WK en behoren de spelers tot de wereldtop.

De titelverdedigers Robert Meeuwsen (links) en Alexander Brouwer trainden gisteren voor het WK beachvolleybal op het trainingsveld op het Haagse Spui.
De titelverdedigers Robert Meeuwsen (links) en Alexander Brouwer trainden gisteren voor het WK beachvolleybal op het trainingsveld op het Haagse Spui. Foto’s ROBIN VAN LONKHUIJSEN/anp

Michel Everaert wordt een beetje weggestopt in de hoek van het kantoor van de volleybalbond in Nieuwegein. Het is september 2004 en de lange Zeeuw heeft net een aanstelling gekregen voor drie dagen per week om ‘iets’ met beachvolleybal te gaan doen. Hij moet de groeiende strandsport verder uitbouwen, maar hoe precies, dat weet niemand. Everaert moet het doen met een werkbudget van 15.000 euro per jaar.

Er is vrijwel niets in die periode – geen sterke duo’s, geen Nederlandse proftoernooien, amper sporthistorie en geen volleybalclubs met zandvelden. Bij volleybalbond Nevobo kijken ze een beetje vreemd op naar „die gekkies van het beachvolleybal”, zoals Everaert (52) het noemt in het boek In de ban van beachvolleybal. Het boek is vorige week uitgebracht ter gelegenheid van het WK beachvolleybal dat morgen in Den Haag begint.

Zo hard kan het gaan in elf jaar tijd, van een marginale sportmarkt naar WK-organisator. En zo kan het dat Everaert nu als directeur sport van de bond de drijvende kracht is achter het toernooi, met een begroting van ruim acht miljoen euro, één miljoen dollar prijzengeld en een verwacht bezoekersaantal van 125.000 mensen.

Het hippe, sexy broertje van het zaalvolleybal is de afgelopen jaren gerijpt in Nederland – met zo’n 40.000 competitieve beachvolleyballers en 205 verenigingen met zandvelden. Het WK-circus landt op het juiste moment. Topduo’s braken de afgelopen jaren door: bij de mannen verdedigen Alexander Brouwer en Robert Meeuwsen hun wereldtitel, bij de vrouwen zijn Europees kampioenen Madelein Meppelink en Marleen van Iersel de publiekstrekkers.

Katalysator

Het codewoord is ‘katalysator’, deze week op een persconferentie in Den Haag. Door het WK – de NOS zendt dagelijks op primetime anderhalf uur lang live op televisie uit – moet beachvolleybal een flinke boost krijgen. Het idee: van een niche groeien naar een sport die door het grote publiek als volwaardige topsport wordt gezien.

Of dat een reëel toekomstbeeld is, valt te bezien. De associatie met zon, zee en strand helpt de sport in positieve zin, maar remt het topsportgevoel bij het publiek ook af. Toch merkt Everaert – hij speelde met Sander Mulder op de Spelen in 1996, toen de sport voor het eerst op het olympische programma stond – dat beachvolleybal steeds serieuzer wordt genomen. „Als speler moest ik steeds uitleggen: het is geen spelletje, we trainen er hard voor, wij zijn ook topsporters. Het is niet alleen op het strand liggen met een biertje en af en toe tegen een bal slaan. Die tijd is voorbij, dat hoef je niet meer uit leggen.”

Hockey geldt in dat opzicht als lichtend voorbeeld, zegt organisator Niels Markensteijn van sportmarketingbureau TIG Sports. „Wat het WK hockey in 1998 heeft betekend voor de emancipatie van het hockey, dat willen we met dit WK bereiken bij de verdere popularisering van beachvolleybal in Nederland.”

Belangrijk in de opzet van het toernooi is het ‘vierstedenmodel’. Hoofdlocatie is het drijvende stadion in de Haagse Hofvijfer met een capaciteit van 5.500 toeschouwers. Daarnaast zijn er kleinere stadions op de Amsterdamse Dam, in Rotterdam op de kade naast de ss Rotterdam en op het Marktplein in Apeldoorn.

Het is een noviteit, niet eerder werd het WK beachvolleybal op meerdere locaties gespeeld. Een bezoek aan het WK in Rome in 2011 scherpte de geest. Bij de finale zat het hoofdstadion vol met 11.000 mensen, zag Markensteijn. „Maar wij waren ook eerder op het toernooi”, vertelt hij. „We zagen dat het stadion in de eerste dagen vrij leeg was. En het toernooi had in totaal zes velden, de wedstrijden op de andere velden werden volledig in de anonimiteit gespeeld.” Zo is het idee voor vier centre courts in vier steden ontstaan.

In de beginjaren van het beachvolleybal aan de kust van Californië (jaren 60) kregen de winnaars het mooiste meisje van het strand, zo staat in het boek. Als je die lijn doortrekt zouden de winnaars nu het mooiste meisje van de stad krijgen, want niet één van de vier stadions ligt op het strand. Drijft de sport in de stadscentra niet te ver af van zijn roots?

Everaert, die op de Zeeuwse stranden begon met beachvolleyballen, schudt zijn hoofd. Hij begint over de Olympische Spelen van 2012 in Londen, waar op de Horse Guards Parade werd gespeeld. Een succes, het was een van de best bezochte onderdelen van de Spelen.

Toernooien op het strand zijn hier kwetsbaar vanwege het wisselvallige weer, vertelt Everaert. „Op het strand verwacht iedereen dat het 25 graden is en dat je daar in je zwembroek kan zitten.” Maar bij regen en wind is het dan onaangenaam, terwijl je in het stadscentrum meer beschut zit. „Als het in de binnenstad windkracht drie is, is het op het strand windkracht zes.”

Al heel de week hoort Everaert: als het maar mooi weer wordt. „Al die jaren maak ik me daar bij toernooien zorgen over, nu denk ik: zolang het niet met bakken uit de hemel komt, is het prima.” Morgen blijft het op de openingsdag waarschijnlijk droog, met maximaal 26 graden. Eigenlijk ideaal weer voor ouderwets beachvolleybal op het strand.