Opinie

Labbekak

‘Labbekakken”, noemt werkgeversvoorzitter Hans de Boer uitkeringsgerechtigden. Het is een woord dat mijn vader ook weleens gebruikte. Die had, net als De Boer, af en toe zijn rechtse, volkse oprispingen waarbij hij geen blad voor de mond nam. Dan zat hij een beetje onderuitgezakt in zijn stoel met de krant waarin hij net weer ‘iets belachelijks’ had gelezen. Den Uyl had er weer helemaal niks van begrepen, het land ging naar de sodemieter met al die mensen die geen flikker uitvoerden.

In die jaren had je Archie Bunker op de tv, als een voortzetting van je vader met andere, satirische middelen. Archie was het buitengewoon rechtse gezinshoofd uit de Amerikaanse serie All in the Family. Hij lag voortdurend overhoop met zijn linkse, langharige schoonzoon. Een hilarische serie, maar niet voor mijn vader die het liever bij Wim Kan hield. Meer vaders moeten zich ongemakkelijk hebben gevoeld bij het lachen om die reactionaire Archie.

Nu zou zo’n serie niet meer gemaakt kunnen worden, tenzij Archie tot een linkse, politiek correcte oude baas getransformeerd wordt, die voortdurend op de rechtse tijdgeest kankert terwijl zijn kortharige kinderen hem in de maling nemen: „Pa, wij zeggen gewoon wat we denken!”

Labbekak is een woord dat ook Geert Wilders in de mond had kunnen nemen. Wilders houdt van die ouderwetsige woorden die meer bij het Nederland van de jaren zestig en zeventig horen. Uitdrukkingen als ‘knettergek’, ‘zijn biezen pakken’, en ‘geen knip voor de neus waard zijn’. De taal van Swiebertje, zoals Jan Kuitenbrouwer Wilders’ taalgebruik heeft genoemd.

Het is dan ook geen toeval dat Hans de Boer al die, in zijn ogen, aartsluie ‘bijstanders’ in de Volkskrant toevoegde: „Handen uit de mouwen!” De Boer liet ook weten dat hij graag ‘een goede verstandhouding’ met Wilders wil. Dat moet geen probleem zijn. Ik hoor Wilders nu al tegen hem roepen: „We geven ’m van katoen!”

Van Dale geeft drie betekenissen voor labbekak: 1. Prater, babbelaar, kletser. 2. Kwaadspreker. 3. Slap, benauwd, vreesachtig persoon, synoniem schijtlaars. Er staat een citaat bij uit een boek van Tip Marugg: „We denken van onszelf dat we helden zijn, maar in werkelijkheid zijn we labbekakken.”

Uit deze beschrijving leid ik af dat de woordkeus van Hans de Boer ook om taaltechnische redenen nogal ongelukkig is. Hij bedoelde luiaards, lanterfanters, profiteurs; iemand die op kosten van een ander leeft. We hebben daar een mooi woord voor dat net als labbekak wat in onbruik is geraakt: uitvreter.

Ik vermoed dat De Boer ‘lammelingen’ of ‘lamzakken’ heeft willen zeggen, maar intuïtief bij ‘labbekakken’ uitkwam omdat het beter bekt als je lekker ruig uit de hoek wilt komen – en dat wilde hij ongetwijfeld als nieuwe werkgeversvoorzitter.

Diederik Samsom heeft De Boer nu zelf een labbekak genoemd omdat hij het verdomt om gehandicapten aan werk te helpen. Samsom had de oudere werklozen er nog aan kunnen toevoegen, maar toch ben ik tegen zijn jij-bak – niet origineel genoeg. Laten we een ander woord voor De Boer zien te vinden. Het moet ook een beetje archaïsch zijn en tegelijkertijd volks en kernachtig; het mag ook best enige verontwaardiging uitdrukken over iemand die generaliserend over een afhankelijke minderheid spreekt en tegelijkertijd de zelfverrijking van een andere minderheid goedpraat.

Oetlul?