Jarig Julidans doet een dansmarathon

Julidans viert op 3 juli zijn 25-jarig bestaan met een nieuwe productie van choreograaf Jan Fabre die 24 uur gaat duren.

Weaving Chaos van Tania Carvalho, vorig jaar op Julidans.
Weaving Chaos van Tania Carvalho, vorig jaar op Julidans.

Twee mandjes met buttons werden het publiek van Julidans 2011 bij het verlaten van de zaal voorgehouden. Aan eenieder de keus: ‘Love it’ of ‘Hate it’ stond er op de blikken broches, als bondige evaluatie van de zojuist bezochte dansvoorstelling. Op de openingsavond van dat jaar, met Ich sah: Das Lamm auf dem Berg Zion, Offb. 14,1 van de Duitse choreograaf/beeldend kunstenaar VA Wölfl, werd gretig gegrabbeld in het mandje ‘Hate it’. De twee directeuren van het zomerse festival voor internationale hedendaagse dans stonden er tevreden bij te glunderen.

Julidans beleeft dit jaar zijn 25ste editie. In die 25 jaar bracht het „theatrale dans met een sterk persoonlijke signatuur, vaak getuigend van een maatschappelijke betrokkenheid”, zoals dat in ambtelijke taal heet. Bij liefhebbers staat het bekend als festival van multidisciplinair (dans)theater dat graag buiten de gebaande paden treedt. Met het risico dat men op minder aangename plekken uitkomt of het spoor volledig bijster raakt. In het verleden omschreven directeuren/oprichters Luuk van Eijk en Jaap van Baasbank hun selectiecriteria, wars van pretenties, afwisselend als „eigenlijk alles wat geen ballet is”, „dans van de weerbarstiger soort” of gewoon: „Wat wíj leuk vinden”.

Geen wollige artistieke vertogen dus. Dat past bij een festival dat min of meer als ‘vulling’ is ontstaan. Van Eijk, destijds dansprogrammeur van de Stadsschouwburg in Amsterdam, zocht na 1986 naar invulling van het gat dat Het Nationale Ballet had geslagen na hun vertrek naar het zojuist geopende Muziektheater. Bij voorkeur iets wat ook geschikt was om de zomerluwte op te vangen.

Met het theaterbureau van Jaap van Baasbank als co-programmeur en uitvoerend producent werden in 1991 drie voorstellingen gepresenteerd onder de noemer Julidans.

Het predicaat festival werd pas drie jaar later toegevoegd, toen de heren vonden dat hun programmering voldoende body had gekregen. Rond die tijd begon Julidans zich al te ontpoppen tot een festival waar iets te ontdekken viel. Zo prijkte in 1994 Alain Platels Bonjour Madame.... op het programma, de verbluffende voorstelling waarmee de Vlaming internationaal doorbrak. Ook de eerste grote choreografie van Sidi Larbi Cherkaoui, dezer dagen topfavoriet op alle internationale podia, werd meteen opgepikt, net als het werk van Akram Khan, al even geliefd bij festivaldirecties. Recenter was Julidans het eerste Europese festival dat de scabreuze capriolen programmeerde van het Canadese enfant terrible Dave St-Pierre, waarmee het Amsterdamse festival zich als internationaal toonaangevend profileerde.

Enfants terribles als St-Pierre zijn een specialiteit van Julidans. Naast onomstreden hoogtepunten in het dansseizoen als Enter Achilles van DV8 en 2 van La La La Human Steps (beide Julidans 1995), Quando l’uomo principale è una donna van Jan Fabre (editie 2005) of Sutra van Sidi Larbi Cherkaoui en achttien Chinese Shaolin monniken (editie 2009) zijn regelmatig producties te zien die danig tegen de haren instrijken. Niet iedereen houdt immers van blondgepruikte mannen die naakt en krijsend over de toeschouwers klimmen (Un peu de tendresse, bordel de merde!, St-Pierre, Julidans 2010), sommigen worden ongemakkelijk van de vragen die een voorstelling met jongeren met downsyndroom bij hen oproepen (Disabled Theatre, Jérôme Bel, Julidans 2013), velen vinden het onaangenaam de voorstelling te moeten bekijken met een vers gerooide cipres voor hun neus (VA Wölfls Ich sah: Das Lamm auf dem Berg Zion, Offb. 14,1). Sommige talenten drongen door tot het hoofdpodium, anderen bleken eendagsvliegen. In de festivalhit van 2000, Hautnah van Felix Rückert, moest de toeschouwer als hoerenloper onderhandelen over een privéshow van zijn uitverkoren performer. Nadien nooit meer iets van Rückert vernomen.

In weerwil van de jongensachtige nonchalance en soms tegendraadse keuzes van het duo Van Eijk-Van Baasbank is Julidans snel, in ongeveer tien à vijftien jaar, uitgegroeid tot een volwassen festival. Het biedt plaats aan dans die lastig in de reguliere programmering past; voorstellingen uit Afrika en Azië, of van nog onbekende choreografen. Nieuwe makers als Wen Hui, Tao Ye, Gregory Maqoma, Robin Orlyn, Olivier Dubois, Lisbeth Gruwez en Alessandro Sciarroni zijn succesvol gelanceerd.

Tegenwoordig bezoeken veel buitenlandse programmeurs „en op eigen kosten”, meldt het festival trots) het enig overgebleven jaarlijkse theaterdansfestival van Nederland. Julidans staat goed op het cv van choreografen. „We zijn internationaal nog bekender dan in Nederland. Wij behoren tot de top!”, zegt Van Baasbank (69), die afscheid neemt van zijn geesteskind.

Ook de programmering werd volwassen. Van een vrolijke verzameling dans-allerhande transformeerde Julidans tot een gestructureerd festival. De laatste jaren kent het verschillende ‘hoofdstukken’: het hoofdprogramma met Grote Meesters en Enfants Terribles, Julidans Next met de nieuwe lichting choreografen, toegespitste programmering in perifere stadsdelen (Zuid-Oost, West, en Noord), inhoudelijke verdieping in Julidans Talks, inleidingen en nagesprekken, technische verdieping en talentontwikkeling in de workshops met de Henny Jurriëns Stichting en het Artist’s Lab, waar jonge talenten gezamenlijk aan projecten kunnen werken.

Daarmee zijn de grenzen van de groei bereikt. Anita van Dolen, die Van Eijk drie jaar geleden opvolgde, ziet in de publieke ruimte nog wel mogelijkheden. „Omdat ik weet dat dans nog steeds een enigszins moeizaam imago heeft. Terwijl wij nu juist voorstellingen hebben waarvan mensen denken: hé, dit kan dus ook dans zijn!”