Eindrijm is gewoon uit

Hoe lees je een gedicht? Ellen Deckwitz geeft een cursus, iedere donderdag in nrc.next. Vandaag: over (niet) rijmende regels.

Illustratie Jenna Arts
Illustratie Jenna Arts

Het is waarschijnlijk de meest gestelde vraag over moderne poëzie: waarom rijmt het niet? Sommige mensen kunnen zelfs oprecht kwaad worden als een gedicht niet rijmt. Zij verwachten een Guinness en krijgen voor hun gevoel een Amstel Malt. Hoe zit dat nou?

Daarvoor moet je eerst nagaan wat je met rijm bedoelt. De meeste mensen bedoelen met ‘rijm’ datgene wat ze in de literatuurwetenschap ‘eindrijm’ noemen. Eindrijm is het fenomeen waarbij de laatste woorden van de regels op elkaar rijmen. Bijvoorbeeld: ‘Roselinde zat te kniezen/ welk cadeau ze voor Merlijn moest kiezen.’

Maar er zijn meer soorten rijm dan eindrijm. Als iets bijvoorbeeld qua klinkers rijmt, noemen we dat, je raadt het nooit, klinkerrijm! Neem nou de volgende regels uit het gedicht Het midden van Marjolein van Heemstra:

‘in mij sleept een slak zich prehistorisch kalm/

terug naar het begin en een mens zich naar het einde; geen van beide/

is in zicht, alleen dit tijdelijke midden.’

‘slak-kalm’, ‘begin-zicht’ en ‘einde-beide-tijdelijke’ vormen hier klinkerrijm. Als je deze regels hardop leest, merk je dat er weliswaar geen eindrijm is, maar dat het alsnog even goed bekt als een tekst van Iggy Azalea. Ook zit er nog een ander soort rijm in, dat in de moderne poëzie veel voorkomt: het middenrijm. Daarvan is sprake als er tussen twee of meer regels wordt gerijmd, zoals in dit geval ‘einde-tijdelijke’.

Moderne gedichten rijmen dus wel, maar er is zelden sprake van eindrijm, en dat is toch wat de gemiddelde Nederlander bedoelt met ‘rijm’. Laten we de vraag daarom verfijnen: waarom zit er in hedendaagse gedichten geen eindrijm meer, terwijl een flink deel van de gedichten waar we ons op de middelbare school doorheen moesten worstelen (Bloem! Nijhoff! Achterberg!) dat wél bezat?

Dat is een kwestie van mode. Zo vanzelfsprekend is het niet dat er aan het eind van de regel wordt gerijmd. Het is een relatief jonge ontwikkeling. Bijna de gehele klassieke poëzie en een goed deel van de westerse poëzie kende tot halverwege de Middeleeuwen helemaal geen eindrijm.

Na de veertiende eeuw werd het opeens wél populair. Het is onduidelijk waarom. Misschien omdat niet iedereen direct toegang had tot het geschreven woord. Boeken werden in die tijd met de hand geschreven en waren daardoor relatief schaars. Een tekst die rijmt, is makkelijk te onthouden en te delen. Wat misschien ook meespeelt, is dat eindrijm spannend is. Het schept aan het eind van iedere regel een verwachting: gaat het weer rijmen op het slot? Het zijn eigenlijk cliffhangers van klank!

Onze eerste Nederlandse teksten zaten tjokvol met dit soort cliffhangers, van ‘Hebban olla’ tot de gedichten van Hadewych, van de poëzie van Jan Moritoen tot het heldendicht Van den vos Reynaerde van Willem (die Madocke maakte). En ook de verzen en toneelstukken van onze vaderlandse grootheden Hooft, Vondel en Huygens zitten vol eindrijm.

Maar zelfs in die hoogtijdagen van het eindrijm werd er al flink gedebatteerd of het wel kon. De oude Grieken en Romeinen maakten er immers geen gebruik van en die wisten doorgaans wel waar ze mee bezig waren (ook al waren het heidenen). John Milton, de dichter van het beroemde Paradise Lost (1667), beschouwde het eindrijm zelfs als een vorm van artistieke slavernij. Immers: wie telkens de laatste woorden van regels op elkaar moet laten rijmen, moet daarvoor soms ook concessies doen aan de inhoud. Het is lastig om te eindrijmen op een zin die eindigt met ‘herfst’ (ook al zijn daarin alle bomen op hun ‘sterfst’). Rijm dwingt je bepaalde dingen niet, of juist wel, te zeggen. Daardoor kan de inhoud van een rijmend gedicht soms ook onoprecht overkomen. Het rijmt soms té goed om waar te zijn!

Dat was een mening die ook latere dichters, zoals de Amerikaan Ezra Pound en onze eigen Simon Vestdijk, waren toegedaan (ook al bleef de laatste een fanatiek eindrijmer). Toch bleef het gros van de Nederlandse poëzie voorzien van eindrijm.

Pas na de Tweede Wereldoorlog veranderde dit. In deze periode werd met bijna elke vorm van traditionele kunst gebroken en de poëzie vormde daarop geen uitzondering. Hoewel de Nederlandse poëzie anno 2015 nog veel verschillende vormen van rijm kent, zoals het binnenrijm en klinkerrijm, is er nauwelijks nog sprake van eindrijm (een mooie uitzondering is het recente werk van Ilja Leonard Pfeijffer). Dus de moderne poëzie rijmt nog wel, alleen zelden aan het eind van de regel. Eindrijm is gewoon even uit de mode. Wie weet komt het over een paar jaar weer terug. Net zoals de wortelbroek.

Gelukkig draait poëzie niet alleen om het wel of niet aanwezig zijn van eindrijm. Neem nou het mooie vers van de jonge dichteres Vicky Francken (1989) hiernaast. Er is zeker sprake van eindrijm, zoals bij de woorden van de slotregels: ‘skelet-hebt’, en eindrijm in de vorm van klinkerrijm, zoals bij de zesde en zevende regel: ‘waakt-gaat’. Maar juist doordat het rijm hier niet overdreven aanwezig is, wordt de nadruk gelegd op de inhoud.

En zeg nou zelf, hoe briljant is het om het over een gebroken hert te hebben, in plaats van een hart? Het klinkt en klopt hoe dan ook. Dat is dichten waarbij rijm haast overbodig wordt. Of niet? Dat zullen we volgende week zien, als we ons hert weer een beetje hebben gelijmd.